Stoom afblazen

Door William Marrion Branham

1 Goedemorgen, vrienden. Ik was zojuist met de herder in gesprek. En het is zo'n voorrecht om in deze kleine havens der rust, zoals deze, te komen. Je voelt je gewoon goed als je naar de diensten zit te luisteren. En er is iets met deze kleine plek. Ik zei tegen mijn zoon, toen ik een paar ogenblikken geleden om het gebouw heen liep, dat het erop lijkt alsof... Ik houd er gewoon van om hier te komen en een poosje te zitten luisteren, te luisteren naar wat anderen te zeggen hebben. Wij predikers weten dat dit een geweldige tijd voor ons is. Gewoonlijk moeten wij het spreken doen, terwijl iemand naar ons luistert. Maar we willen ook graag zitten luisteren.

2 U hebt een fijne herder en dit lieflijke kleine koor hier en de liederen van Sion. De plaats is prettig en niet te uitgebreid, wat wij huiselijk noemen. Dus daar houd ik heel erg van. God zegene u allen altijd.

3 Ik was... dacht in mijn hart, terwijl ik deze kleine zuster een poosje geleden hoorde, die vijfenzestig jaar in dienst van de Here was... Ik dacht dat ik ongeveer oud genoeg was om te stoppen, maar hierna veronderstel ik van niet, na... Hier is iemand die Hem vijfenzestig jaar dient. Wel, ik veronderstel dat het ongeveer twaalf of veertien jaar zou zijn voordat ik werd geboren, dat zij Hem diende. Dus dat is wonderbaar.

4 Ik sprak onlangs in een rouwdienst van een kleine, oude dame van ongeveer vijfentachtig jaar, die was heengegaan om de Here te ontmoeten. En zij was een kleine, lieflijke oude vrouw.

5 U, die mijn levensgeschiedenis hebt gelezen, waar ik de jongen vroeg of hij mij dat pak wilde geven. Weet u, hij had een van deze kleine padvinderspakken. En ik wilde altijd een soldaat zijn, dus vroeg ik hem of hij het mij wilde geven als hij het afgedragen had, en hij beloofde dat hij het zou doen. En toen ik het ging halen, had hij maar één broekspijp over. En die was... Ik droeg die broekspijp naar school. En hij was...

6 Dat was zijn moeder die pas overleed, mevrouw Ford. En ze zijn van de armsten der armen. Lloyd, de jongen die mij de broekspijp gaf, we zijn kameraden geweest sinds we kleine jongens waren. Hij is alleen wat ouder dan ik. En ik zei tegen hem: "Lloyd, waar zou je willen dat ik de begrafenistekst uit zal nemen?"

7 En hij zei: "Broeder Billy," zei hij, "ik zou graag willen dat je hieróver spreekt, als het de wil van de Here is, slechts wat zekerheid dat mijn moeder zal terugkeren..."

     Ik zei: "Heel goed."

8 Dus nam ik de tekst uit Job: "Als een mens sterft, zal hij weer leven?" En ik nam het uit het... ik geloof Job 14, dacht ik dat het was, en hoe Job het plantenleven zag, als het stierf en weer leefde. Dus nam ik het onderwerp dat "alles wat leeft naar de wil en het doel van God een opstanding heeft".

9 En daar ik een zendeling ben en door de wereld reis, heb ik het voorrecht gehad veel goden te zien en hun... de levensfilosofieën en wat mensen aanbidden. En in dit alles is dat ongeveer alles wat het is, een filosofie, behalve het Christendom. Het Christendom heeft de waarheid.

10 Nu, wij weten dat deze wereld een schepping is. En voordat er een schepping kan zijn, moet er een Schepper van die schepping zijn. En deze Schepper drukt Zichzelf uit in de schepping. Zelfs als we geen Bijbel hadden, zouden we toch weten dat dit de waarheid is, zoals we ook weten. De Bijbel zet het alleen in orde.

11 Nu, in het scheppen van de schepping drukt God Zichzelf uit in de schepping. En Hij is niet een God alleen van één groot "Sears and Roebuck Harmony House". [Verzameling van een bepaald kerstservies, waar overal hetzelfde kerstboompje op staat – Vert] Hij is een God van variëteit. Hij maakt grote heuvels en kleine heuvels, en Hij maakt de woestijnen en Hij maakt meren, en Hij maakt kleine bomen en grote bomen en witte bloemen en rode bloemen; en maakt kleine mensen en grote mensen, en vrouwen met rood haar en vrouwen met zwart haar. En Hij maakt ons verschillend omdat Hij het op die wijze wil. Hij is een God van verscheidenheid. En Hij maakt sommigen rijk en sommigen arm, sommigen er tussenin. Maar wij hebben een plaats om God te dienen en dat is de plaats waarin Hij ons heeft geplaatst, als wij slechts in die plaats blijven.

12 Ik zei: "Nu, als u op de kleine bloem let." (Dit was ongeveer in oktober.) Ik zei: "De zaden... We hebben nu vorst gehad en ze stootten de kleine zaden uit. En de bloem stierf en de kleine zaden keerden terug naar de aarde. En God heeft een rouwdienst in deze herfstregens, deze grote druppels tranen die uit de hemel neervallen om ze te begraven. En komend door Kentucky," zei ik, "daar plaatste Hij onlangs op deze grote borstkas van bergen Zijn boeketten over de aarde, met bladeren rood, bruin en geel." Zie?

13 En Hij is in de rouw omdat de kleine zaden dood zijn en Hij heeft ze begraven onder de grond. En Hij weet, net zo zeker als dat die aarde terugkomt van het draaien om de zon, dat elk ervan weer zal opstaan. Maar het is slechts een gang van zaken waar Hij doorheen gaat om tot ons te spreken dat er een opstanding is.

14 Nu letten we op de zon. Zij wordt 's morgens geboren en ze is een kleine baby als ze geboren wordt. Ze wordt verondersteld de aarde te verwarmen en de zaden op te wekken die in de grond zijn. En om ongeveer acht uur begint ze naar de middelbare school te gaan. En om ongeveer tien of elf uur is ze klaar. Ze heeft haar scholing gehad. 's Middags is ze op middelbare leeftijd. Om twee uur 's middags komt ze op mijn leeftijd. Om vijf uur is het de leeftijd van mijn vader en zuster daar achterin. En na een poosje sterft dit glorieuze ding dat de aarde verlichtte en Gods doel diende en ginds in het westen wegsterft. Is dat het einde ervan? Ze wordt opnieuw geboren en staat de volgende morgen weer op. Zie? God in elke fase!

     Het kostte mij ongeveer twintig minuten om te verklaren wat dat allemaal was.

15 Nu, ziet u, waarom ik zei: "Waarom?" Er is één vereiste. En ik houd ervan dit te zeggen in een gemeente als deze. Er is één vereiste die verlangd wordt. Ongeacht hoe mooi het zaad is, het moet bevrucht zijn. Het moet bevrucht zijn. En als het Gods plan dient, werd het bevrucht, omdat de bij het stuifmeel meeneemt, enzovoort.

16 Nu ontdekken we, wat als de kleine lelie, als ze... Mooi, zwoegde dag en nacht, opende haar kleine hart, en de bij komt langs en neemt van haar honing net zo vrij als maar mogelijk is. En ze spande zich in om haar honing uit te kunnen geven. En dan ziet de voorbijganger haar schoonheid. En ze houdt zichzelf mooi, zodat de voorbijganger het kan zien en haar schoonheid bewonderen. Degene die haar geur wenst, ademt het vrijelijk in en de kleine lelie spant zich in om zichzelf nuttig te maken op de aarde, zie, om honing te produceren, schoonheid, en een begrafenisbloem te zijn, waar ze ook maar voor gebruikt wordt, bruidsbloem, van alles. Ze geeft zichzelf gewoon vrijelijk. En als ze sterft staat ze het volgende jaar weer op. Zie? Elk ding.

17 Wat als de kleine maïshalm zou zeggen: "Het spijt mij. Er is niets moois aan mij. Ik heb geen honing om uit te geven. Ik heb dit, dat of dat andere niet."

18 Maar dan zegt de Meester van dit alles: "Ja, maar de kleine lelie zou ook geen maïsvlokken kunnen maken." Zie? We hebben allemaal iets te doen. We dienen God in de categorie waar we in geplaatst zijn, en het komt evengoed weer terug.

19 Nu, met het oog op dit alles, zei ik: "Hier is kleine moeder Ford, zoals ik haar ken. Zij waste dikwijls mijn kleine, vuile gezicht toen ik een klein kind was. Ze waren zo arm als arm maar kon zijn. Maar ze was als een vrouw geboren, een lief meisje. En als ze als vrouw werd geboren, dan was dat met een doel om een maat, een man te hebben. En zo was het. Ze was een trouwe levensgezellin. Ze leefde met haar man gedurende ruim zestig jaar of meer, en er werd geen trouwere vrouw geboren, zover ik weet, een echte dame. En omdat ze gehuwd was, zouden er kinderen komen."

20 "Hier is haar nicht, fijne kinderen die hier zitten, heel lieflijk. Uw kinderen zouden nooit een betere moeder willen hebben. Of wel soms? Ziet u? Nee. Haar man zou geen betere vrouw kunnen wensen."

21 Ik zei: "Ze was zo arm als arm maar kon zijn, maar niemand kon ooit aan haar deur komen met een nood of ze zou hun iets geven. De buren, het maakte niet uit in wat voor moeite ze waren, mevrouw Ford was er elk uur van de nacht om hen te helpen, iets wat zij zou kunnen doen met wat ze had om te kunnen doen."

22 En ik zei: "Boven dat alles had ik het voorrecht eens te zien dat dat zaad bevrucht werd door de Heilige Geest. Ze werd wederom geboren uit de Geest van God." Ik zei: "Nu gaan we haar over een ogenblik in de grond planten. En welke intelligentie zou kunnen opstaan en zeggen dat zij niet weer zal opstaan?"

23 "Als u zegt dat zij niet weer zal opstaan; het blad ging niet naar de voet van de boom voordat de vorst viel, dan om volgend jaar weer terug te komen met een nieuw blad. Als dat sap daarboven in de boom bleef totdat de vorst en bevriezing hem troffen, dan zou het die kiem van leven in dat sap doden en de boom zou sterven. Maar de een of andere intelligentie... Het heeft niets van zichzelf. Dit is plantaardig leven. Het heeft geen verstand. Maar iets controleert het. Voordat we vorst of zoiets hebben in dat land, vallen die bladeren eind augustus al van de boom, omdat het sap de boom verlaat en teruggaat in de wortels, ver onder de grond, om die kiem van leven te verbergen, om hem volgend jaar met wat meer vruchten terug te brengen."

24 "Wat doet dat? Welke intelligentie? Diezelfde intelligentie controleert ons leven. Dat is juist. En voordat we zouden kunnen zeggen dat er geen opstanding is voor een kleine heilige, zoals die daar ligt, die God vijfenzestig jaar diende... Ik dacht aan haar toen ze daar in die zuurstoftent lag, en moeizaam ademde. Maar zij zal op zekere dag opstaan. Ze moet het gewoon. Dat is alles."

25 Voordat u kunt zeggen dat zij dat niet kan, zou u moeten zeggen dat er geen lente is, dat er geen herleving van de zaden is, dat er geen zomer en winter is, dat er geen opgaan en ondergaan van de zon is, dat er niet zoiets is als het Woord van God. Wel, het zou krankzinnig zijn om zoiets te zeggen. Er is een opstanding. En net zo zeker als die wereld weer ronddraait om het aangezicht van deze zon, zal die zon... heeft ze van God opdracht gekregen om met haar warme stralen dat plantenleven op te wekken.

26 En zoals de tijd rondgaat totdat de eeuwigheid weer aanbreekt en die Zoon daar opstaat, zo zeker gaat er iets gebeuren. Al die levens die in Hem bevrucht zijn, zullen weer opstaan. Het moet gewoon. Er is geen wijze of enige andere weg. Ziet u de Schepper Zichzelf uitdrukken in Zijn schepping? Zie? Dat is wat God doet. En we zouden naar buiten kunnen kijken en iedereen die maar half zo intelligent is, zou naar buiten kunnen kijken en zien dat God, dat het Christendom gebaseerd is op opstanding.

27 Nu, als ik dit ding op de vloer laat vallen, gaat het omlaag. En ik kom hier en pak iets op dat eraan gelijk is. Nu, dat is geen opstanding. Dat is een vervanging. Maar opstanding is ditzelfde weer omhoog brengen. En wij komen weer terug. Net... U plant een gele maïskorrel en het zal een andere gele maïskorrel voortbrengen. Zie? En wij gaan omlaag, een sterveling, om als een onsterfelijke op te staan. En wij zijn daar vandaag zo blij om. En dat is... Onze hele christelijke hoop is precies daarop gebouwd, precies daarop alleen.

28 Dus wat een voorrecht is het voor ons allen om tezamen te komen en te zitten in hemelse plaatsen, zoals deze, in Christus Jezus, jong en oud, om uit te zien naar die tijd dat Jezus zal komen.

29 Nu, met een samenkomst als deze en de Geest van God hier binnen op de wijze dat het is, zou ik tot negen uur of acht uur vanavond door kunnen spreken, tijd om naar de Foursquare gemeente te gaan, en me nog steeds goed voelen. Maar we moeten op de tijd letten. Ze willen niet dat de bonen aanbranden, enzovoort, weet u. Dus komen we hier slechts binnen gedurende een kleine tijd van gemeenschap, om hier te zijn bij deze lieflijke broeder en zijn kleine kudde, die hier verblijf houden. En we komen hier binnen om onder uw boom neer te zitten en te spreken en een kleine tijd van gemeenschap te hebben.

30 Laten we dus wat woorden uit Gods Bijbel lezen en slechts een kleine tekst nemen om gedurende een paar ogenblikken te spreken. Voordat we dat doen, laten we even onze hoofden buigen en tot de Auteur hiervan spreken, voordat we Zijn Woord benaderen.

     Ik vraag me nu af, met onze hoofden gebogen, of er ergens in het gebouw een verzoek zou zijn, waarvan u melding zou willen maken voor God? Houd het in uw hart en steek even uw hand omhoog, even een ogenblik. God zegene u.

31 Onze Hemelse Vader, wij zijn inderdaad een bevoorrecht volk vanmorgen in het aangezicht van deze veranderende wereld. En we hebben een houvast aan de hand van de onveranderlijke God. Tijden mogen veranderen maar Hij is eeuwig. En Zijn Woord is in ons hart. Het is een ultimatum [uiterste grens – Vert] van onze gedachten. Ze drijven altijd terug naar dat Woord. Ongeacht waar wij afdwalen, het komt terug naar het Woord. Het is de ankerplaats in ons hart. We zijn daar zo dankbaar voor.

32 Ik dank U, Here, voor deze kleine plaats hier in de Forty-Fourth Street, waar het Evangelie gepredikt wordt en een plaats is die aan U is opgedragen en waar de mensen aan U zijn toegewijd. En ik bid dat Uw zegeningen altijd met hen zullen zijn. Doe hen toenemen in de kennis van Uw Woord en van Uw genade, en geef hun de goede dingen van het leven en eeuwig leven, opdat wij allen mogen komen naar één plaats, die grote hemel, op zekere dag als Jezus komt.

33 Zegen ons tezamen... en zie naar die handen, Vader, die een paar ogenblikken geleden werden opgestoken. Daar, onder die hand, was een reden waarvoor hij werd opgestoken. Ik bid, God, dat U, Die de geheimen van het hart kent, dat verzoek wilt toestaan. Ik offer mijn gebed met het hunne op Uw altaar vandaag. Antwoord, Vader, bid ik in Jezus' Naam.

34 Zegen de woorden vanmorgen. "Moge de overdenking van onze harten aangenaam voor U zijn." Zegen Uw Woord als wij het lezen en de kleine aantekeningen van contexten die wij zouden willen verklaren. Wees met ons en help ons. Opdat, wanneer wij hier weggaan, wij gaan mogen en zeggen: "Onze harten brandden in ons, omdat wij de liederen van Sion hebben gehoord, het getuigenis van het hart, en het Woord betuigd aan ons hart." In Jezus' Naam. Amen.

35 Nu, meestal houd ik ervan te spreken en ik kan dat niet teveel doen, daar het nu bijna twaalf uur is. En dus zullen wij u vragen of u misschien in de Schriften wilt opslaan, als u met ons de Schriftplaatsen wilt meelezen of opschrijven.

36 Eerst wil ik lezen uit het boek Spreuken. Ik geloof dat ik dat vanmorgen aanhaalde toen ik aan het zoeken was naar Spreuken, het achttiende hoofdstuk en het tiende vers.

     De Naam des HEEREN is een Sterke Toren; de rechtvaardige zal daarheen lopen en in een Hoog Vertrek gesteld worden.

37 En dan in Jesaja 32:2 wil ik dit lezen, 32:1 en 2.

     Ziet, een koning zal regeren in gerechtigheid, en de vorsten zullen heersen naar recht.

     En die man zal zijn als een verberging tegen de wind, en een schuilplaats tegen de vloed, als waterbeken in een dorre plaats, als een schaduw van een zware rotssteen in een dorstig land.

38 Dit moge een erg vreemde tekst schijnen om er deze conclusie uit te trekken, maar ik wil vanmorgen het onderwerp nemen van Stoom afblazen. Het schijnt erg passend te zijn voor deze dag. En ik was gisteravond nog laat op, zo tussen twaalf en één uur; ik probeerde te denken: "Nu, waar ga ik morgen heen?"

39 En ze vertelden mij: "Naar die kleine Gemeente van God, waarvan je dacht dat ze zo mooi was, daar in de Forty-Fourth Street of Avenue, wat het ook is."

40 En ik zei: "O, ik herinner mij dat." En ik dacht: "Wat zal ik zeggen?" Ik zei: "Welnu, ik herinner mij dat ik mij daar de laatste keer zo thuis voelde, echt ontspannen." En ik dacht: "Dat zou echt een goede tekst zijn: Stoom afblazen. Dat is een goede zaak om er morgen in die kleine gemeente over te spreken." En nu... En ik schreef hier vlug enkele aantekeningen op waar ik gedurende een paar ogenblikken enkele opmerkingen over wil maken.

41 En wij leven in een dag van veel druk. Overal, iedereen is zo gespannen. En op straat met die opgevoerde auto's, en ze kunnen niet wachten voor het stoplicht, en weet u, ze rijden je omver. Ze gaan nergens heen, helemaal nergens. Ze racen net zo hard als ze maar kunnen, maar racen regelrecht naar de eeuwigheid; dat is alles wat ik ervan weet. En zij... En je moet uitkijken naar deze kant en naar die kant. En dan is het... Ik zei: "Er zijn slechts twee klassen mensen die er leven, dat zijn de snellen en de doden. En zij die niet snel zijn, sterven snel." En ik... My! Het is gevaarlijk om veilig te zijn in deze dagen, het is haasten, racen.

42 Temperament? O my! Een arme kleine dame, gisteren; ik... Broeder Williams, ik veronderstel dat hij het niet opmerkte, maar wij gingen keren. We hadden zijn zoon opgezocht en hij was niet thuis. En we keerden. En een of andere kleine dame – we moeten dat toegeven – maakte een kleine blunder. En wel, ieder had heer genoeg moeten zijn om te zeggen: "Het is in orde, mevrouw. Ga door. Het is in orde."

43 Maar ze sloeg toevallig links af, vlak vóór de een of andere persoon en, o my. Zijn gezicht werd zó rood en hij deed het raam open en zei gewoon van alles. Natuurlijk, de kleine dame duwde haar haar omhoog en reed door. En hij stopte midden op straat en hij hield ons bijna tegen, ziet u, alleen maar om haar te kunnen uitschelden.

44 O, het is een verschrikkelijke tijd! Nietwaar? Waar gaan we heen? Waarom zo gehaast? We waren gewoon om hier op een oud paard in de buurt rond te rijden, onze tijd te nemen, en leefden heel wat langer. En we zijn hetzelfde soort mensen. En daar zijn wij, o, iedereen rookt en paft een sigaret.

45 Daar in Tucson lette ik vorige week op de kinderen die daar stonden. Een klein meisje, een aardig klein ding, ze was ongeveer tien jaar oud. En zij, haar kleine wangen waren helemaal ingevallen. En haar kleine donkere haar... een lief uitziende kleine makker. En ze stond daar een sigaret te roken voordat ze naar binnenging. Nu, dat kind had waarschijnlijk tbc, misschien niet meer dan een nerveus wrak. Nu, misschien is dit de reden waarom zij rookte: omdat haar moeder het vóór haar deed.

46 Ik was dit jaar op de Wereldtentoonstelling en ik veronderstel dat velen van u er waren. En ik genoot van één ding en dat was de 'medische kamer'. En toen zij daar waren om te bewijzen wat roken doet, hadden zij deze Yul Brynner, en u die daar waren hebben het opgemerkt. En zij namen een sigaret en zetten het op een ding en haalden de rook eruit en verspreidden het over een wit stuk marmer en veegden de nicotine op met een stuk katoen en plaatsten dat op de rug van een rat. En in zeven dagen was er zoveel kanker dat de rat zelfs niet kon lopen, vanwege de nicotine van één sigaret.

47 Toen zei de dokter: "U hebt de mensen horen zeggen..." En hij nam het mee en plaatste het onder een buis en perste deze rook door een of andere soort chemische stof en daar was een witte streep. Hij zei: "Daar is de kanker."

48 Toen zei hij: "U hebt de mensen horen zeggen: 'Ik inhaleer niet.'" Dus hield hij het zo in zijn mond, haalde het in en plaatste toen zijn mond op deze buis en blies het uit en er zat bijna niets in. Hij zei: "Waar is de kanker? In mijn mond. Ik slikte het in door mijn keel. Mijn keel pakt het op en het gaat in de maag." En bedenk dat dat toen 's werelds beste was. En dan gaat hij verder en zegt: "De mensen zeggen: 'Gebruik een filtermondstuk.'"

49 U hebt dat gehoord, 'de rook van een denkend mens' of de een of andere soort slagzin. Als de man denkt, zou hij helemaal niet roken. Uh-huh. Het is geen denkend mens, het is een onnadenkend mens die er een zou roken.

50 Maar hij nam een trekje van deze tabak. Hij zei: "Nu, ziet u, het enige is dat het publiek niet bijdehand genoeg is om het te vatten en toch worden we verondersteld intelligente mensen te zijn." Hij zei: "Als je geen rook hebt, krijg je geen resultaten. En als je rook hebt, moet je teer hebben om rook te krijgen. En in teer ligt de kanker. Er is teer nodig om rook te maken." En hij zei: "Het enige is als je ze rookt met de filters erop, dat u er ongeveer drie moet roken om dezelfde voldoening te krijgen als van één van de andere. U krijgt precies dezelfde hoeveelheid binnen." Zie? En het Amerikaanse publiek wil een konijn uit een hoed. Ze hebben het. Zo is het. Daar bent u er. Zie?

51 En toen zij die rat naar buiten brachten – ze hadden er alle zeven dagen één naar buiten gebracht – was het het meest afschuwelijk uitziende gezicht wat ik ooit zag. Er stond een heel grote knaap bij mij die zei: "Oei", terwijl het zweet van hem afliep. Hij zei: "Heel treffend!"

     Ik zei: "Rookt u?"

     Hij zei: "Ja."

52 Daar hebt u het, maar toch gaan we gewoon door met het te doen. Waarom? We proberen iets te vinden om te kalmeren, iets wat verdooft. Het schijnt of de wereld in een dolle vaart is en ik weet niet wat zij in de zin hebben.

53 Maar er is een christelijke verdoving. Daar is de opium die uit een lelie komt. En de christelijke gemeente heeft wat opium, en het is afkomstig van de Lelie der valleien. Uh-huh. Het verzacht alle pijn. En het is dan helemaal over, als u deze christelijke opium krijgt. Deze nieuwe wijn die zij hadden op de dag van Pinksteren, zie, hij verzacht alle pijn.

54 Mensen zijn zo arrogant en ze doen dingen die ze niet behoorden te doen. In plaats van te proberen van de oorzaak af te komen, plaatsen zij er nog een oorzaak bij. Je kunt de genezing nooit vinden tenzij je van de oorzaak afkomt.

55 De mens probeert iets te vinden wat bevredigt, en hij dorst. En God maakte hem om te dorsten. Hij was zo gemaakt, maar God deed het op die wijze opdat hij naar Hem zou dorsten. Maar hij probeert het te bevredigen en die heilige roep in hem tot zwijgen te brengen met dingen van de wereld. En we hebben geen recht om dat te doen. Maar nu doen mensen voortdurend verkeerd en in plaats van naar de plaats te gaan waar we van de oorzaak kunnen afkomen, proberen wij haar tot zwijgen te brengen met verdovende middelen en sterke drank en roken, waardoor we er meer bijdoen, het steeds maar slechter makend. En dit alles bouwt alleen maar druk op. Het maakt het de hele tijd alleen maar erger. Niet lang geleden...

56 Misschien weet u allen dat ik heel wat aan schijfschieten doe en aan jagen. Dat heb ik als hobby. Een broeder had naar de Weatherby Company een geweer gezonden, model .70 Winchester, zoals sommige jagersvrienden hierbinnen wel zullen weten. En het werd uitgeboord tot een Weatherby Magnum .257. Art Wilson gaf het geweer aan Billy Paul en hij is links. En het had een grendel en hij gaf het aan mij.

57 Een andere makker kwam binnen en zei: "Je hebt geen Weatherby, dus zal ik het voor je laten uitboren."

58 En bij het uitboren – ze wilden het niet toegeven – maar ze boorden het niet juist. En wat ze deden, terug... U, die met de hand laadt, weet dat je achter de ring de druk krijgt. En toen ik er een paar patronen mee afvuurde, bemerkte ik dat het slaghoedje terugtrok en daar was een druk. Wel, ik wist dat de kogel absoluut onder het maximum geladen was, dus kon hij daar geen druk van krijgen. Maar het was niet juist uitgeboord.

59 En met de volgende patroon die ingelegd werd, zou ik, als God er niet was geweest, mijn leven hebben verloren. Het hele geweer ontplofte en blies de bast van de bomen om mij heen er vanaf. Ongeveer zo hoog als dit gebouw blies het rood vuur. En de loop van het geweer kwam terecht op de vijftig meter lijn, en de grendel vloog zo over mijn hoofd terug. De telescoop explodeerde zo dicht bij mijn ogen. En ik had niets in mijn hand; alles was opgeblazen.

60 Overal spoot het bloed om mij heen en we waren ver van een dokter vandaan. En zij zagen mij. En ik kon niet spreken of iets. En ik hield het bloed zo tegen. Ik nam hem weg en het spoot helemaal over een broeder heen die daar stond en ik duwde het weer dicht.

61 Ik zei: "Here Jezus," in mijn hart, "U bent mijn Genezer." Ik deed mijn hand naar beneden en het was gekalmeerd.

62 Dus wat was er nu aan de hand? Het geweer probeerde een kogel af te schieten die eigenlijk niet voor het geweer was gemaakt. Als het geweer vanaf het begin was opgebouwd als een Weatherby Magnum, zou het niet zijn opgeblazen. Maar het probeerde een Weatherby kogel in een Winchester geweer te plaatsen en dat wilde niet werken. En u ziet hier littekens om en boven mijn ogen, en vijftien stukjes kwamen net onder mijn pupil terecht. Toen de dokter in mijn oog keek, schreef hij terug aan mijn vriend, de dokter. Hij zei: "Het enige wat ik weet is dat God op die bank zat bij Zijn dienstknecht. De man die met hem daarbuiten op de... die de schoten optelde, had hem moeten vinden vanaf zijn middel naar beneden..." Hij zei: "God was met hem." En hij zei: "Van de kogel, de stukken van het slaghoedje, schoten precies vijftien stukjes opzij in de oogbal, net onder het gezichtsveld." Het hinderde mij ook helemaal niet. Twee of drie dagen daarna – mijn gezicht zag eruit als een hamburger – was het helemaal opgedroogd en verdwenen.

63 Maar wat was het? Het was omdat er een kogel in het geweer zat waarvoor het niet was gemaakt. Het had druk opgebouwd. Nu, als het geweer gemaakt was en in deze houder waar de kogel ingleed vanuit het magazijn in de loop, de kamer, als die kamer correct was gemaakt, zou het de druk hebben doorstaan. En de druk gaat er op deze wijze uit. Maar in plaats daarvan was het los. En die druk – daar de kogel natuurlijk zwakker was dan de loop – blies hij zo op, en blies het geweer op deze manier terug.

64 De loop werd niet beschadigd, maar blies er slechts af. Natuurlijk brak het alles er rondom in stukken. Hij zou niet meer gebruikt kunnen worden. Maar de huls zat nog vast in de loop. Zie, het was niet... Nu, als het een overladen kogel was geweest, zou hij de loop hebben doen barsten. Maar, ziet u, hier binnenin het dikste gedeelte van het geweer, sloeg het op deze wijze terug en tikte het slot los. Nu, als het opgebouwd was als een Weatherby Magnum zou hij nooit opgeblazen zijn. Het was proberen iets te plaatsen in iets wat daar niet behoorde.

65 Dat is de wijze van een christelijke ervaring, als mensen proberen een koude, vormelijke belijdenis of ervaring te plaatsen in een krachtige Pinkstergemeente, tenzij de persoon gebouwd is vanaf de grond, opgebouwd, wederom geboren en herschapen. Nabootsers vandaag gaan rond en proberen het spreken in tongen na te bootsen, proberen dit en proberen dat, de gaven, terwijl ze niet wederom geboren zijn.

66 En als ze wederboren zijn, kunnen ze niet nabootsen, omdat zij voor die dingen gebouwd werden. Ze werden geboren, herschapen, opnieuw gekneed; niet alleen maar iets wat is opgelapt, en handen schudden en emotie hebben en een paar keer om het altaar dansen en zeggen: "Ik heb het." Het is iets wat opnieuw gekneed en herboren is en een nieuwe schepping is geworden. Dan kan het de druk doorstaan van de vervolging en de dingen die het geestelijke leven volgen. U moet gemaakt en gebouwd zijn om de druk te weerstaan. En slechts één ding kan het doen. Dat is wanneer u in Gods kneedhuis komt en afgebroken en herbouwd wordt en een nieuwe schepping wordt in Christus Jezus.

67 Niet lang geleden ging ik hier naar het ziekenhuis om voor een dame te bidden. En er was daar nog een dame die naast haar lag. En ik zag haar helemaal nerveus en ik begon over gebed te spreken. En ik zei: "Wel, we zullen onze hoofden buigen voor gebed."

68 Ze zei: "Wacht even! Wacht even! Wacht even! Trek dat gordijn dicht."

     Ik zei: "Ja, mevrouw." Ik zei: "Ik wilde alleen gaan bidden."

     En ze zei: "Trek dat gordijn dicht."

     Ik zei: "Ja, mevrouw. Bent u geen gelovige?"

     En ze zei: "Wij zijn Methodisten."

69 Ik zei: "Wel, dat drukt stellig uit wat ik vroeg." Zie? Zie? Zie? Ja. Ik vroeg haar nooit tot welke loge ze behoorde. Ik vroeg haar of zij een gelovige was. Zie?

70 Al deze loges hebben ons helemaal in verwarring gebracht. Je kunt je niet bij de gemeente aansluiten. Er is niet zoiets. Je kunt je bij de loge aansluiten. Je kunt je bij de Methodistenloge aansluiten, de Baptistenloge, de Presbyteriaanse loge of de Pinksterloge. Maar je kunt je niet bij de gemeente aansluiten. Je moet geboren worden. Dat is de reden waarom er zoveel woede uitbarstingen zijn. Zie? De druk bouwt op en daar gaat u. U zegt: "Wel, ik behoor hiertoe." Maar dat betekent niet...

71 Je moet vanaf de grond omhoog komen om de druk van deze dag te kunnen doorstaan. Als God Zijn grote lading van de Heilige Geest daarin plaatst, kunt u maar beter weten wat u doet. U kunt er maar beter klaar voor zijn.

72 Nu, als u wat uitboort en zegt: "Ik wachtte de hele avond op een gave", kunt u maar beter voorzichtig zijn. Het zou kunnen ontploffen, zie, en het zou een terugslag kunnen geven.

73 Op een avond kwam ik naar een ziekenhuis en ik had een bericht gekregen... Het was een telefoonoproep van broeder Neville, de herder, en ik nam het op me, omdat ik uit Louisville kwam. En er werd gezegd dat de dame er zeer ernstig aantoe was. En ik ging daar naar het ziekenhuis in Jeffersonville, en daar was een dame. En ik... Ze vertelden mij: "Ga naar kamer 322. De dame was daar."

74 Ik liep naar binnen en ik zei: "Is er een zaal met vier bedden?" Ik zei: "Is er een dame, Zo-en-zo, hier?"

     "Nee meneer. Zij is er niet."

     Ik zei: "Waarschijnlijk maakte ik een fout. Excuseer mij."

75 En ik liep eruit. En de verpleegster kwam beneden in de hal en ze was wat gehaast. Ik zei: "Dame, zou u mij kunnen vertellen of een zekere dame hierboven op deze afdeling ligt, of waar zij zich bevindt?"

76 Ze zei: "Ik heb geen tijd voor dergelijke dingen. En kunt u niet zien dat ik haast heb?"

     Ik zei: "Neem mij niet kwalijk."

77 Ik ging naar boven naar de receptioniste en de dame zat daar aan het bureau, een verpleegster. En ik zei... Zij was iets aan het opschrijven. Ik bleef wachten. Ze keek naar mij op, maar bleef gewoon doorschrijven. Wel, ik wachtte een paar minuten. Ik zei: "Goedenavond." Ze zei niets. En ik dacht: "Wel?" Ik zei: "Zou u mij kunnen vertellen waar een zekere dame is? Het... Ik ben een prediker. Ik ben hierheen gezonden naar een zekere plaats, naar kamer 322, vertelden ze mij."

     En ze zei: "Wel, ga dan naar kamer 322."

     En ik zei: "Dame, ik ben geweest naar kamer drie..."

     Ze zei: "Waarom vraagt u mij dan? Ga naar de receptie beneden."

     Ik zei: "Wel, dank u."

78 Ik begon de trap af te gaan en ik kwam beneden. En ik vroeg de verpleegster op de begane grond. Zij wist er niets van.

79 Hier kwam een kleine dokter naar beneden met zijn stereoscoop [moet 'stethoscoop' zijn – Vert] in zijn hand en ze zo ronddraaiend. "Een kleine..." Ik heb nog nooit zo'n dikke man gezien! Hij was... Eerlijk, ik geloof dat hij breder was dan lang. Hij liep... of liever gezegd 'hoog' was. Zo liep hij verder met deze stereoscoop ronddraaiend in zijn handen. En ik zei: "Excuseer mij, dokter. Zou u mij kunnen vertellen waar..."

     Hij zei: "Ja, ja, die kant op."

     "Dank u, meneer."

80 Ik ging de andere kant op. Ik dacht: "Wel, wat zal ik nu gaan doen?"

81 En hij ging verder en ging achter zijn bureau zitten. En ik zag niemand anders. Ik dacht dat ik evengoed naar hem toe kon lopen om het hem weer te vragen. Ik zei: "Neem me niet kwalijk, meneer." Hij bleef gewoon naar iets anders kijken, weet u. En ik zei: "Deed... ik wil weten waar kamer..."

     Hij zei: "Het is die kant op."

     Ik zei: "Kamer 222. Ik weet niet welke richting op te gaan."

     Hij zei: "Ga gewoon deze kant op en die kant. U zult het vinden."

82 Wat is het? Spanning, zie, opgebouwde spanning. Misschien is hij uit de behandelkamer gekomen. Hij heeft misschien gedacht dat hij had... dat ik dat niet aan hem had moeten vragen. Het was inderdaad buiten de bezoekuren. Toen dacht hij: "Gewoon de een of andere prediker. Laat hem gaan." Zie?

83 De wereld is helemaal gebouwd op spanning. Zij zal een dezer dagen ontploffen. De wereld is opgebouwd uit spanning en de doktoren weten niet wat ze eraan moeten doen. De psychiaters hebben psychiaters die hen behandelen. Dat is waar. Zij hebben geen antwoord; maar God wel. God heeft het antwoord op dit alles.

84 Nu, als in het Oude Testament een man iets verkeerds had gedaan, was het tand om tand en oog om oog. En als deze man iets verkeerds had gedaan, had hij een plaats van ontsnapping. Ik geloof dat Jozua vrijsteden had gebouwd. En als de mensen iets verkeerds deden en ze gedood moesten worden, dan hadden ze een plaats van ontkoming. En hij was veilig als zijn achtervolgers hem niet inhaalden voordat hij daar was. Hij... Maar als de achtervolgers hem inhaalden, doodden zij hem onderweg.

85 Maar als hij daar was en als hij deze misdaad niet opzettelijk had gedaan en zijn zaak kon bepleiten en aantonen dat het hem speet dat hij het had gedaan, dan kon hij in deze vrijstad gebracht worden en de achtervolgers konden de stad niet inkomen. Nee. Hij was vrij. Wat een gevoel moet dat zijn geweest, te weten dat je iets had gedaan wat verkeerd was, en je wist dat het verkeerd was, maar er was een plaats waar je je geen zorgen meer hoefde te maken, je kon in deze plaats gaan en veilig zijn.

86 Nu, als de man het opzettelijk had gedaan, wel, dan moest hij... Hij zou er niet in kunnen komen. Als hij opzettelijk een moord zou hebben begaan, zou zijn zaak in de poort gerechtelijk onderzocht worden. En dat is... Maar de man die het wenste en het niet opzettelijk gedaan had...

87 Zoals ik een type ervan zou willen geven. Als een man verkeerd heeft gedaan en hij werkelijk wil... het spijt hem dat hij zondigde, dan is er een toevluchtsoord. Maar als het hem helemaal niet kan schelen, dan is er geen plaats voor hem, omdat hij het niet wil aannemen. Hij heeft gemeen gedaan en hij wilde het; dan is er geen kans voor hem. En dat is vandaag hetzelfde.

88 En dan, de zaak was, dat als hij verkeerd had gedaan, hij een toevluchtsoord moest willen. Hij moest daar willen zijn.

89 En dat is een zeer goed type van de gemeente en de mensen van vandaag. Een mens moet een toevluchtsoord willen. U moet voelen dat u het nodig hebt. Maar als u denkt uw eigen veldslagen te willen uitvechten, ga door. Zie? Maar u zult zeker door uw achtervolgers gevangen worden. Op de een of andere dag zal het u vinden. Maar als u een plaats wilt...

90 En dan, als de man die plaats wilde en een plaats vond, dan moest hij gewillig zijn om daar te blijven. U gaat er niet meer uit. U blijft daar, dan bent u veilig terwijl u daar bent. O, wat moet dat een verademing zijn geweest om een plaats te vinden. Zodra u de poorten ingaat en de poorten zich achter u sluiten... Ik zou voldaan zijn. Ja zeker.

91 Hij moet daar willen blijven; geen klagen en rondlopen en zeggen: "O, waarom kwam ik hier ooit binnen?"

92 Nu, dat is precies wat de mensen vandaag doen. Ze zeggen dat ze vrij willen zijn van de zorgen van de wereld en dan komen ze in de... onder de gelovigen, en dan zeggen ze: "Nu, als ik dit zal moeten opgeven, als ik dat zal moeten doen, als ik tienden zal moeten betalen, als ik deze en die andere dingen zal moeten doen, hoe, o my! Wat?" Zie? Dan werd die man die klaagde er weer uitgezet; dan moet u het zelf maar weten. Maar als hij zou... Hij moest tevreden zijn en niet klagen.

93 O, wat houd ik ervan om dit te zeggen! Ik heb nooit gewild om er ooit weer uit te gaan. O, het is de hemel voor mij om in hemelse plaatsen in Christus Jezus te zitten met mannen en vrouwen die gevlucht zijn voor hun leven uit de dingen van de wereld, en hun ziel ankerden in een haven van rust. O, wat een gemeenschap! O, wat een Goddelijke vreugde! Leunend op Zijn eeuwige arm, de druk helemaal weg. Voor niets bevreesd. Amen. Want ik ben veilig in Christus.

94 "Hij is een machtige Toren, de rechtvaardigen ijlen in Hem en zijn veilig. Hij is een Rots in een afmattend land, een Schuilplaats in de tijd van storm." Wat een plaats om in te zijn! Ik zie niets om over te klagen. De enige klacht die ik heb, is waarom ik het niet eerder heb gedaan. Ik wachtte tot ik ongeveer negentien, twintig jaar oud was. Ik had het moeten...

95 De een of andere jonge knaap ontmoette mij onlangs. En ik sprak over dit schandaal van deze dames daar buiten op straat met deze kleding aan, waardoor ze eruit zien als mannen. En ik sloeg er tamelijk heftig op los. Een jonge knaap ontmoette mij daar buiten de deur. Hij zei: "Even een ogenblik."

96 En hoe ze hier zo tekeer gaan, weet u, twisten, hun benen brekend, en van alles. Ik zei: "Het is krankzinnigheid." En ik zei: "De ware Christen, als dat in hun hart is, en zij beweren een Christen te zijn... hun vruchten tonen wat ze zijn." Het laat een leegte zien, want elke man of vrouw die probeert zichzelf te bevredigen met spul van de wereld, de vuiligheid van de wereld, probeert zich te bevredigen; terwijl Sion vol van schoonheid en pracht is. Bevredigen, stoom afblazen, waarom zou u engelenvoedsel ruilen voor het knoflook van Egypte, zoals Israël wilde? O, er is een plaats om stoom af te blazen! Kom erin en u zult veilig zijn als u daarin komt. Wat een wonderbare zaak is het, deze te kennen. Goed. Geen geklaag.

97 Deze jongeman zei tegen mij: "Kijk, meneer Branham, u bent een man, vijftig jaar oud." Hij zei: "U bewondert niet de schoonheid van de vrouwen als u hen ziet lopen." Ik zei... Zei: "Als u mijn leeftijd had..." Hij was ongeveer vijfentwintig. Hij zei: "Als u van mijn leeftijd was, zou u het anders bekijken."

98 Ik zei: "Meneer, ik predikte ditzelfde Evangelie, jaren jonger dan u nu bent. Ik vond eenvoudig iets dat voldeed, iets dat werkelijk is, iets waar al het andere blind voor is."

99 Ik ben binnenin een Toren. Ik heb geen verlangens om zelfs maar naar buiten te kijken. "Hij die zijn handen aan de ploeg slaat en zich alleen maar omwendt om terug te kijken, is niet waardig om te ploegen." Wat een plaats om in te komen! Ja. Buiten sterft u; binnen bent u veilig. Kom gewoon binnen en blaas stoom af. Dat is de zaak om te doen. En Christus is onze Toren, ja, Gods voorziene plaats van veiligheid. Jozua bouwde deze huizen en deze toevluchtsplaatsen en God bouwde voor ons een vrijstad, dat is in Zijn Zoon, Jezus Christus. "De Naam des Heren is de machtige Toren. De rechtvaardigen ijlen erin en zijn veilig."

     Nu, u zegt: "Wat als je daarin ziek wordt?"

100 Hij droeg onze ziekten, in deze Toren waarin wij zijn. Hij droeg onze ziekten in Zijn lichaam. Wij hebben...

101 "Wel," zegt u, "wat als je daarin bent en vermoeid bent, alle zorgen en zo?"

102 Werp uw zorgen op Hem. Het is geschreven op iedere muur, de hele weg langs, op elke deur..." Werp uw zorgen op Hem, want Hij zorgt voor u."

103 Vertrouw op Zijn beloofde Woord. Zijn woorden zijn op ons hart geschreven. Onze harten zijn de tafelen van Zijn Woord, zoals Martha en Maria, en zo verder. Zie?

104 Zelfs over de dood zelf maakt u zich daarin geen zorgen, als u in de Here bent. Waarom? Hij stond op uit de dood. Wij hoeven ons daar geen zorgen over te maken. De dood komt, zoals de kleine zuster waarover wij zojuist spraken. Als het tijd is om te gaan, laten we gaan. Dat is juist. Wat doet u? "Dit oude, vuile karkas dat wij hebben, ruilen voor een onsterfelijk lichaam, gemaakt als Zijn eigen heerlijk lichaam." Wie zou dit pesthuis niet voor iets dergelijks willen ruilen? Vertel mij iemand die dat niet zou willen. Een oudere persoon, een jongere persoon, het maakt niet uit of u pas vijftien jaar oud bent, of twaalf, of wat het ook is, de dood ligt aan uw deur. U weet niet op welke tijd. Dat menselijke hart dat zó klopt moet op zekere dag ophouden. En het zou kunnen stoppen als u tien, twaalf jaar oud bent. Het gebeurt elke dag bij duizenden. Maar hier binnen, in de... in dit lichaam dat wij ervoor in de plaats gaan krijgen, klopt het bloed niet. Dat doet de Heilige Geest. En het kan niet sterven. Het is onsterfelijk, eeuwig en het kan niet sterven. Wat een belofte! Ja, zelfs ondanks de dood blijft deze van kracht.

105 Kijk naar Israël. Nu, daar kwam een doodsvloed door Egypte en God maakte een voorziening. Hij maakte een toevlucht voor hen. En Hij zei: "Neem een lam en slacht het en plaats het bloed aan de deurpost en op de deur. En als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan." Egypte lachte erom, maar het was een door God voorziene weg uit de dood. En nu, toen die grote donkere vleugels zich begonnen te bewegen door de stad, stad na stad in heel Egypte, en die dood elk huis begon binnen te gaan, toen geschreeuw omhoog ging, toen kon ik Israël, net zo ontspannen, stoom zien afblazen.

106 De kleine jongen is misschien naar zijn vader toegelopen en heeft gezegd: "Papa, weet u, ik heb gehoord dat die bode door de straat ging. De kleine Johnny waar ik mee speelde, is dood. En, papa, ik ben uw eerstgeborene."

107 Ik zie de oude vader opstaan, als het ware zijn bril afzetten, zijn Bijbel neerleggen en zeggen: "Kom hier, zoon."

     "Papa, het komt door de straat."

     "Blaas de stoom af, zoon. Kom een ogenblik hier. Zie je dat bloed?"

     "Ja, ik zie het, papa."

     "Wel, blaas de stoom af."

108 "Junior, je hoeft niet met je sportwagen door de straat te racen. Je hoeft deze dingen niet te doen. Onderzoek slechts en zie of het bloed er is. Blaas de stoom af. Als de dood aan de deur klopt, kan hij niets doen."

109 Geen spanning bij Israël. Zij konden stoom afblazen omdat zij veilig waren onder het bloed. O my! Die grote avond van het pascha moeten zij kalm zijn geweest, de stoom hebben afgeblazen, omdat zij konden onderzoeken en zien dat zij het bloed hadden. En toen zij het bloed zagen, wisten zij dat Hij had beloofd dat Hij zou voorbijgaan. O, nadat zij al de instructies van God hadden opgevolgd, beloofde God hun voorbij te gaan.

110 Nu, wat een beeld is dat voor de gemeente vandaag! Nu, ik zal mij haasten, maar ik wilde dit hier eventjes vaststellen. Vandaag zijn we voortdurend bezig de ene samenkomst na de andere te verlaten, onze papieren, onze brieven, van de ene kerk naar de andere te brengen.

     Als de Methodist iets niet doet waarvan u dacht dat het gedaan had moeten worden, zult u ze naar de Baptisten brengen, van de Baptisten naar de Presbyterianen, van de ene naar de andere. Ziet u? Wat is er aan de hand? Het laat slechts zien dat u nog nooit tot die plaats bent gekomen. U bent nog nooit gekomen tot waar u stoom kunt afblazen. Ziet u? U let op iets waar u niet op zou moeten letten. Als Christenen van de ene denominatie naar de andere gaan, laat het zien dat zij nog nooit tot die toevlucht zijn gekomen. Zie?

111 Soms gaan ze naar seminaries. Dat is goed. En zij leren het Woord net zo nauwkeurig als ze maar kunnen. Ze komen thuis en ze proberen dat Woord net zo nauwkeurig te spreken als deze denominatie het hen laat doen. En dat is goed. Maar dat is het niet. Niet Zijn Woord te kennen, maar Hém te kennen: Hém... Wel zeker! Het is niet hoeveel u van het Woord afweet, wat voor een goede gemeente we hebben, wat onze denominatie voor de wereld betekent, hoeveel vrijstellingen we hierdoor kregen, en hoeveel gemeenschap we met de wereld hebben, in wat voor soort gezelschap we zijn terechtgekomen. Het betreft ú. Bent u onder het bloed? U, als individu – ik geef er niet om of iedereen in de samenkomst verkeerd is – bent nog steeds verzekerd. U bent onder het bloed.

112 Soms plaatst God u in een samenkomst die verkeerd is, om wat licht te verspreiden. Spring niet op, spring niet van plaats naar plaats, van het ene in het andere. Blijf slechts onder het bloed. Als u eruit wegloopt, dan is uw zekerheid weg. Blijf onder het bloed.

113 "Uw Naam is een machtige Toren. De rechtvaardigen ijlen erin en zijn veilig." Blaas de stoom af. Zie Hem in de uren waarin wij weten dat er mensen zijn die onder het bloed zijn. We zien het bevestigd. We zien wat God doet om Zijn gemeente te bevestigen.

114 Hij beloofde alles wanneer we in deze Toren zijn. "Alles wat u vraagt in Mijn Naam, zal Ik doen. Als u in Mij blijft en Mijn woorden in u, vraag wat u wilt, het zal voor u worden gedaan." Wat een plaats! Er staat geschreven: "Doe alle dingen – wat u ook doet – doe het in Mijn Naam", niet: "Doe het in de naam van de kerk."

115 U zegt: "Wel, ik geef een getuigenis omdat ik vanavond dankbaar ben een Presbyteriaan te zijn. Ik ben dankbaar dat ik van Pinksteren ben. Ik ben dankbaar dat ik ben..."

116 Ik ben dankbaar dat ik van Christus ben. Zie? "De Naam des Heren is een machtige toren." Zie? "De rechtvaardigen ijlen erin en zijn veilig." Dan hebben we in Zijn Naam gemeenschap.

117 Nu, als we hier uitgaan en de een zegt: "Ik behoor tot de Gemeente van God." Ik geloof dat dit de gemeente van God is. En de ander zegt: "Ik behoor tot de Assemblies." Wel, dat zou misschien een wrijving kunnen veroorzaken. De een zegt: "Ik behoor tot de United." [Verenigden – Vert] De ander zegt: "Ik behoor tot iets anders, de Enigheids", of wat het ook is. Als u op die wijze gaat twisten, zult u ruzie krijgen.

118 Maar als u waarachtig die Toren hebt bereikt, ongeacht van welke groep u bent, dan bent u onder het bloed. En dat is de enige plaats waar u gemeenschap kunt hebben, terwijl het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, ons reinigt van alle zonde. Dan hebben we gemeenschap, de een met de ander. Wat een gemeenschap is dat! We kunnen een hand uitsteken en de Gemeente van God, de Assemblies of God, de Oneness of God en wat het ook moge zijn, accepteren, het maakt niet uit wat het is. Daar hebben we dingen gemeenschappelijk. We hebben Christus, en Christus is onze toevlucht. Ieder van ons, als hij een Baptist is, Presbyteriaan, Lutheraan, Katholiek, of wat hij ook is, als hij onder het bloed is kunt u gemeenschap met hem hebben omdat u één bent. U bent in deze Goddelijke gemeenschap van Christus. O, wat een geweldige zaak!

     Jesaja beschreef het: "Hij is een Rots in een dorstig land."

119 Dat is dat soort land waar men zo aan het tobben is, dat mensen niet weten wat ze moeten doen. Ze zeggen: "Wel, is dit juist? Is dat juist?" Christus is juist. "Is dit de weg? Is dat de weg?"

     Hij zei: "Ik ben de Weg."

     "Wat is waarheid, dit of dat?"

     Jezus zei: "Ik ben de Waarheid. Ik ben de Weg, de Waarheid, het Leven." Zie?

120 We zijn opgehouden ons daar zorgen over te maken. Die wijze bouwt spanning op. U zegt: "Heeft de Methodist gelijk? Heeft de Presbyteriaan gelijk? Mijn moeder was dit. En mijn..." Maar Christus was uw Here. Zie? Het maakt niet uit wat het is, u bouwt druk op, en dat maakt dat u ruziet. Zie? Als u slechts vertrouwt op uw organisatie dan bouwt dat geruzie op. U probeert uw organisatie op te bouwen. Maar als u in Christus bent, blaast u gewoon stoom af. Amen. Daar is voedsel voor ons allen. My!

121 Jakob [moet zijn: Izaäk – Vert] groef een put en de Filistijnen pakten hem af. Ik geloof dat hij hem "strijd" noemde. Ik vergat de naam. Was het dat? En hij groef er nog een, ze pakten die af en hij noemde die "boosaardigheid" of zoiets. Toen groef hij nog een put. Hij zei: "Er is ruimte voor ons allen. Laten we er allen bij komen." Daarom denk ik dat wij bij die derde put moeten komen. Dus in...

122 De enige wijze waarop we dat kunnen doen is onder het bloed, dan kan de Methodist rechtmatig hier binnenkomen en zich net zo thuis voelen als een Pinksterman dat zou kunnen. Ja zeker. Een Methodistenherder, vervuld met de Heilige Geest zou elke Pinksterman in het land hier binnen kunnen brengen en hij zou zich helemaal thuis voelen. En wij kunnen ons samen thuis voelen, niet omdat we nu zeggen: "U, alle Methodisten, u, alle Pinkstermensen." Als u zegt: "U, alle Christenen." Amen! O, dat brengt de grote zaak binnen. Dan hebben we gemeenschap en blazen zo de stoom af. Daar houd ik van. Er wordt dan geen spanning opgebouwd. We maken ons niet bezorgd over waar u toe behoort, wat voor brandmerk u draagt.

123 Ik was gewoon om vee te hoeden... [Leeg gedeelte op de band – Vert] ... de Troublesome River Valley. En als je dan op deze boerderij twee ton hooi kon verbouwen, wel, dan zou je een koe in de wei kunnen zetten. En sommigen van deze mannen hebben duizend of tweeduizend stuks vee. De Grimes daarboven hadden de diamantstaaf, de onze was de oude kalkoenpoot. Wel, ze hadden veel brandmerken, misschien twintig of dertig brandmerken, daarboven of beneden, die deze maatschappij erin had. Dan is er een omheining die het vee in het nationale woud houdt, als je naar het ravijn daarboven gaat, en deze houdt hen daar tegen.

124 En dan rijden de ruiters gedurende de zomer en zetten zoveel stieren bij zoveel koeien, enzovoort. Dan... wij... Ze hebben een omheining en de boer staat daar om dat vee te controleren als ze er doorheen gaan. Soms zou een hele groep van ons tezamen gaan als we dat vee in de lente naar boven brachten. En er zijn letterlijk duizenden stuks vee boven en beneden in dat dal. En hoeveel keer heb ik daar, met mijn been om de punt van mijn zadelknop geslagen, op die boer gelet die daar stond. Hij controleert dat vee als zij er doorheen gaan.

125 Nu, ik bemerkte dat er ongeveer waren... veel verschillende soorten brandmerken ingingen, maar de boer lette helemaal niet op het merk. Hij lette op het bloedmerk, omdat er niets in dat woud kon komen dan een rasechte Hereford. Omdat dat je fokresultaat in orde houdt. Zie?

126 Ik geloof dat dat de wijze is waarop het zal zijn op de dag van het oordeel. God zal niet zeggen: "Behoorde u tot de Assemblies, Gemeente van God?" Hij zal letten op dat bloedmerk. "Als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan." Ongeacht het merk dat wij hebben; dat betekent niets.

127 Bent u een Hereford? Bent u geregistreerd? Bent u een wedergeboren Christen, vervuld met de Heilige Geest, gewassen in Zijn bloed? Dat is waar God naar zal kijken op die dag, om dat bloedmerk te zien. "Als Ik zie... Niet als Ik het merk zie. Als Ik het bloedmerk zie, kunt u ingaan." Amen.

128 Ik begin me goed te voelen. Hier is het bijna half een, en ik had twintig minuten geleden klaar moeten zijn en begin me nu pas echt goed te voelen. O, prijs God! "Als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan."

     Nu, nog een minuut of twee, als u wilt.

129 Er is mij verteld dat er een zeker type arend is. Velen van u die de banden beluisteren, hebben mijn boodschap gehoord over De arend die zijn broedsel opwekt. En ik bestudeerde arenden. Ik houd van arenden. Ik weet dat zij denken dat hij een echte gladdekker is, maar hij was hier voor een doel. Zoals wanneer ik... Ik zei onlangs tegen mijn vrouw...

130 Dan hebt u het allen in het tijdschrift Life gezien, waar ze verleden jaar ongeveer vierhonderd duizend prairiewolven doodden, ze gewoon vingen en neerschoten. Ze hadden hier een troep tamme varkens die wild waren geworden. Ze gingen ze vangen, gingen er met vliegtuigen op af en schoten ze met machinegeweren neer. Dat is moord. Dat is niet juist. Het is niet recht. Die prairiewolf kan het niet helpen dat hij een prairiewolf is. Hij moet doden om te eten.

131 Vele keren zeggen zij dat hij de lammeren en dergelijke, doodt. Als die luie groep herders die ze daar hebben... Als deze ooien lammeren krijgen, als ze zouden opstaan en zorgdragen voor die ooien in plaats van te slapen tot tien of elf uur, dan zou de prairiewolf een betere naam hebben. Zo is het. Hij is geen Don El, met een masker over zijn gezicht. Hij is een prairiewolf. Zeker. Ik heb menselijke wezens gezien die slechter waren dan hij. Maar...

132 En de beer, zij spreken altijd over de beer dat hij een "killer" is. Hij doodt de kalveren. Ik heb gejaagd sinds ik een kleine jongen was en ik heb nog nooit gezien dat een beer een kalf doodde. Natuurlijk zou hij het doen als hij was uitgehongerd. U zou hetzelfde doen.

133 Bedenk dat u moet doden om te eten. En elke dag, vandaag, als u leeft, moet iets sterven zodat u kunt leven. U doodt een koe; zij stierf. U doodt het schaap; het stierf. U zegt: "Ik eet geen vlees." Wel, iets stierf hoe dan ook. Als u een aardappel eet, stierf hij. Het is een leven. Als u groente eet, het stierf. Het is een leven. En een mens kan slechts leven door dode substantie.

134 Begrijp het nu. En als iets moest sterven zodat u lichamelijk kunt leven, is het dan niet meer dan begrijpelijk dat iets moest sterven zodat u geestelijk zou kunnen leven? Christus stierf, niet een geloofsbelijdenis, maar een leven dat uit Christus komt. Wij leven eeuwig door Christus.

135 Deze arend is een grote vogel. Ik heb geen tijd om het te ontvouwen, wat hij doet en hoe hij zijn nest maakt en waarin hij niet lijkt op zijn denominationele broeder, de kip, een boerenerfscharrelaar. Hij wil er zeker van zijn dat niets zijn kinderen zal hinderen. Hij gaat erg hoog. Geen wezel zal hem of zijn jongen kunnen pakken.

136 Ah! Geen wonder dat God Zijn erfenis vergeleek met de arend! Weet u, Hij noemt Zichzelf een arend. En wij zijn arendjes. En de arend is geen aaseter. Hij haalt elke dag vers voedsel. Amen. Arendsvoedsel, dat is wat de gemeente moet hebben, niet leven op een ervaring van veertig jaar geleden, een ervaring die ik juist nu heb, iets vers uit de hemel.

137 De oude arend bouwt zijn nest hoog in de rotsen, zodat de wezels en zo er niet bij kunnen komen. Zijn denominationele broer, de kip, plaatst het zijne daar in de een of andere oude spleet van de omheining, krabt in het erf en al het andere. Maar een arend niet, hij zou dat niet kunnen eten. Zie? Hij is weg. Dat is niets voor hem. Als deze arend tot een zekere plaats komt...

138 De Bijbel zegt dat onze jeugd zich vernieuwt als de arend. Ik heb mij dikwijls afgevraagd hoe dat zou kunnen zijn: "vernieuwt de jeugd."

139 Ik herinner me iets. Dit klinkt... Ik heb heel wat van uw tijd genomen. Maar, de eerste Pinkstergroep waar ik ooit bij hoorde, waren twee verschillende organisaties van hen tezamen. En ik kwam daar van een vistocht en ik ging naar binnen. Ik zag deze namen overal op staan. Ik ging naar binnen. Ik hoorde het verschrikkelijkste lawaai, en deze mensen daar sprongen en liepen en dansten rond over de plaats. Ik dacht: "Wat is dit?"

140 Toen zei hij: "Alle predikers moeten vanavond op het podium komen." En er waren er ongeveer driehonderd van ons die naar boven gingen. Ik ging naar boven en ging zitten. Hij zei: "Nu, wij hebben geen tijd voor u allen om te prediken." Hij zei: "We willen gewoon dat u uw naam noemt en waar u vandaan komt."

141 Toen het tot mij kwam, zei ik: "William Branham, evangelist, Jeffersonville, Indiana", en ging zitten.

142 En zo had ik die dag enige fijne sprekers gehoord. En het eerste, weet u... Ze moesten het in het Noorden houden, zodat de kleurlingen er naartoe konden komen. Het was een nationale conventie, en ze moesten het in die dagen in het Noorden houden. Dat is ongeveer vijfentwintig jaar geleden, of meer, geloof ik, dat ze het daar moesten houden, zodat de kleurlingen het bij konden wonen.

143 Dus die avond dacht ik: "My, op deze grote conventie, deze avondsamenkomst, zullen ze een van de meest vooraanstaande sprekers naar voren laten komen." Natuurlijk, weet u, is dat de wijze waarop wij Baptisten het deden. Dus zij hadden...

144 Na een poosje stond er in een hoek een oude kleurling op, een oude "darkie", die een kleine rand van wit donshaar rond zijn nek had. En ik was, denk ik, ongeveer tweeëntwintig, drieëntwintig jaar oud. En ze hadden deze oude predikersjassen aan, een van deze ouderwetse pandjesjassen, weet u, achterop de rug, weet u, zoals een zwaluw. En de oude makker kwam er zo mank aanlopen, ongeveer tachtig jaar oud. Hij kwam bij de... Ik dacht: "Waarom zouden ze op een conventie een dergelijke man naar voren halen, terwijl hier ongeveer vijftienhonderd mensen zitten, en dan een spreker zoals dat naar voren halen?"

145 De oude makker verscheen. Hij zei: "Wel, ik zal u vertellen." Hij zei: "Ik wil vanavond mijn tekst uit Job nemen. 'Waar waart gij toen Ik de grondvesten van de wereld legde, toen de morgensterren tezamen zongen en de zonen van God juichten van vreugde?'"

146 Ik had die dag geluisterd naar al die predikers, hoe prachtig zij het leven van Christus in de Schrift hadden geplaatst. Ik dacht dat enige echte sprekers die dag hadden gesproken. Ik dacht: "Deze arme, oude kreupele makker."

147 Wel, hij sprak helemaal niet over wat er op aarde omging. Hij sprak over wat er in de hemel gebeurde. En hij nam Hem ginds op, op ongeveer tien miljoen jaren vóór de grondlegging der wereld en bracht Hem beneden de horizontale regenboog en de tweede komst. Hij was dat nog geen twee minuten aan het doen, en toen hij het deed, raakte de Geest hem. Hij sprong in de lucht en klikte zijn hielen tegen elkaar en zei: "Glorie voor God!" Hij zei: "U hebt hier niet genoeg ruimte voor mij om te prediken", en hij snelde het podium af.

148 Ik dacht: "Dat is wat ik wil. Als dat een oude man zo kan laten handelen, wat zal het mij dan laten doen?" Zijn jeugd vernieuwend! Wel, hij had meer ruimte dan wij hierboven hebben, met koor en al, en toch hadden ze niet genoeg ruimte om hem vast te houden, toen de Geest hem trof. Ik zei: "Dat is wat ik wil. Dat is wat ik wil."

149 Deze oude arend krijgt een korst op zijn gezicht en kop als hij oud wordt. Kan nauwelijks eten. Hij wordt armzalig; zijn bek gaat niet meer goed open. Wordt bijna blind. En als die korst tot een zekere plek boven zijn kop komt, zegt men dat hij wegvliegt, hoog in de lucht, en daar gaat zitten, en hij slaat zijn kop tegen die rots om die korst eraf te stoten, als hij kan. En hij rolt zijn ogen en kijkt om. Hij slaat die korst. O, hij moet er afkomen. Hij moet er vanaf en als het niet gaat, zal hij sterven. Hij moet die korst van zijn gezicht en bek afkrijgen. En hij zal zijn kop op de ene manier en dan weer op een andere manier slaan. Hij slaat totdat de korst eraf komt. En dan slaat hij het tegen die rots totdat de korst eraf komt en dan schreeuwt hij en hij slaat zijn vleugels heen en weer en verheugt zich, omdat hij weet dat hij nieuwe veren zal krijgen; hij zal zijn vitaminen weer eten; hij zal zijn jeugd gaan vernieuwen. En ik dacht: "Wat een wonderbare zaak is dat voor de arend. Dat is goed."

150 Maar ik ken een Rots waar een mens naartoe kan komen en kan slaan en geslagen worden totdat alle twijfel weg is, totdat de bekommernis en zorgen van de wereld verdwenen zijn. En als hij de korst van de zonde rondom hem eraf heeft geslagen, totdat het bloed zijn ziel heeft geheiligd, dan zal eeuwig leven zeker komen. Hij kan rustig op zijn gemak gaan zitten en stoom afblazen, omdat eeuwig leven zeker is.

151 O, arenden, vandaag, daarom bent u hier. U bent arendjes. Maar als de korst begonnen is uw ogen te verblinden, de zorgen van de wereld, of u kunt al het voedsel van God eenvoudig niet naar binnenkrijgen, laten we dan naar die Rots in een dorstig land gaan. Laten we daar komen en op het altaar slaan totdat de korst gebroken is en onze ogen weer duidelijk Jezus kunnen zien en de zorgen van de wereld zijn weggegaan. Dan zal de druk er afgaan. "Hij is een Rots in een dorstig land, een Schuilplaats in een tijd van storm", een Toevlucht en voor de vermoeide een Haven van rust. Laten we naar die plaats komen.

     Laten we onze hoofden even een ogenblik buigen.

152 Het spijt mij dat ik u lang heb gehouden. Er liggen hier nog ongeveer zes blaadjes van deze notities, kleine gedachten en Schriftplaatsen die ik zou gaan gebruiken. Maar het is tijd. O, klein arendje, misschien een klein meisje, een kleine jongen of misschien een oud persoon, of van middelbare leeftijd; waarom bent u hier vanmorgen? Omdat u, u, werkelijk een arend bent. Maar misschien hebben de zorgen van het leven u min of meer ruw heen en weer geslingerd. U hebt het zicht verloren. U bent niet te zeker meer waar u uw voet moet zetten. Laten we nu naar die Rots toegaan. "O, leid mij naar die Rots die hoger is dan ik." Laat mij op deze Rots liggen. "Hij is een Schuilplaats in een tijd van storm."

153 Begin juist nu tegen de deur te slaan, te slaan tegen de deur van deze Rots. Hij zal opengaan. De korst zal er vanaf vliegen. Dan zal de druk u verlaten en u kunt weer in de rust zijn, de druk is helemaal weg. U kunt naar de gemeente komen. Het maakt niet uit waar de herder over predikt. Zolang hij in dat Woord van God blijft, zal het u nooit veroordelen. U bent daarin verankerd. U bent nu in orde.

     Laten we bidden.

154 Here Jezus, ik wil opnieuw, met dankzegging, uitdrukken dat er hier in Phoenix een kleine plaats is en verschillende plaatsen er omheen. En deze is een van diegenen waar ik, wat mijzelf betreft, kan komen en mij op mijn gemak kan voelen. Er is niets wat mij bindt. Ik spreek slechts de woorden. Wat een plaats is dat, vrij, alle druk is weg. Ik ben er zo dankbaar voor, Here.

155 O Here, moge die grote Rots altijd op dit altaar liggen, waar de kleine, eigenzinnige arendjes van rondom de hele stad kunnen binnenkomen en tot een plaats gebracht kunnen worden waar ze de korst van de wereld kunnen afslaan, zodat zij van deze gemeenschap kunnen genieten door stoom af te blazen, in deze dag van het atoomtijdperk, terwijl de wereld bevreesd is. Elke natie schudt. De hemelen beven. De hele natuur schreeuwt het uit. De wereld zelf beeft, omdat zij aan stukken kan worden geblazen. Maar wij hebben een Koninkrijk dat niet bewogen kan worden. We hebben een vrijstad. We hebben een Gosen waar de zon nooit zal ondergaan. Sta het toe, Here. Laten we nu tot deze Rots komen.

156 Zoals het verhaal gaat over een klein konijn, hoe de jachthonden hem achterna zaten. Ze zaten hem op de hielen. Nog een klein poosje, nog een sprong of twee, en de hond zou de kleine makker pakken. Ze konden hem op elk moment opschrokken. Maar na een ogenblikje zag hij een opening in een rots. En hij dacht: "Als ik alleen maar bij die rots zou kunnen komen, dan ben ik veilig." Net toen de hond de laatste sprong naar hem maakte, voelde hij z'n hete adem in zijn nek, maar hij rende onder de rots. Toen kon hij gaan zitten en stoom afblazen. De hond kon zich niet door die rots heen krabbelen.

157 Here Jezus, ik bid U vanmorgen, Here, dat als sommigen van deze kleine schepselen van U, die weg zwierven van die veiligheidszone; die de adem van de jachthonden der hel voelen – die vlak achter hen aan rennen – jonge vrouwen, jonge mannen, ziende dat hun levens naar de andere zijde overhellen. Mogen zij deze morgen naar deze kloof in de Rots ijlen. Er is er één. De rechtvaardigen ijlen erin en zijn veilig. Sta het toe, Vader, door Jezus, Uw Zoon.

158 Terwijl wij onze hoofden gebogen hebben en onze harten ook gebogen, zou u, als u vanmorgen nog niet in die Rots bent, uw hand naar God willen opsteken? En zeggen: "God, laat mij nu in die veiligheidszone komen, daar waar ik stoom kan afblazen. Ik ben een beetje vermoeid geweest. Ik begin te zien dat ik afdrijf. Ik voelde mezelf weggaan. Ik heb niet de ervaring die ik vroeger had. Breng mij heel snel naar die Rots terug, Here." Zou u even uw hand willen opsteken en zeggen: "Bid voor mij, broeder Branham?" God zegene u. Dat is goed, overal in het rond. Ah, dat is goed. God zegene u.

159 "Breng mij terug naar de Rots, Here. Breng mij terug. Ik drijf weg. O, laat mij er niet bij vandaan wegdrijven. Laat mij... Als ik ga eten, laat mij dan eten vlakbij de kloof. Laat mij dicht bij de plaats blijven waar het manna valt. Ik hoef niet rond te zwerven. Het manna ligt vlak bij de deur."

160 Hemelse Vader, U zag deze hoeveelheid handen. Ik bid dat U hun hun verlangen zult geven. Moge de gehele korst, die nu begonnen was hen te verblinden, Here – terwijl hun harten slaan en hun geestelijk hart slaat – alle twijfel wegbreken, alle ongeloof, alle verwarring, alle nervositeit en het zich afvragen wat dit is en wat dat is, alle zorgen. Mogen zij juist nu lieflijk ontdekken dat de korst gebroken is, terwijl zij hun gebed tegen de Rots hameren. Moge Christus hen nu omhoog brengen en hen op een bergtop zetten. En ze kunnen met hun kleine geestelijke vleugels slaan en zeggen: "Ik ben vrij. Ik ben vrij." Sta het toe, Vader, in Jezus' Naam.

161 En nu, zijn er hier vanmorgen die in die schuilplaats zijn en ziek zijn, niet weten wat de uitkomst zal zijn, en u wilt geankerd zijn in iets wat u zekerheid zal geven, dat uw lichaam gezond zal worden, en u wilt in gebed gedacht worden?

162 Bedenk slechts, slechts een woord van gebed, dat is alles. Sla een kleine paal, daar waar u zit, en zeg: "Deze dag, deze dag werd het gebed des geloofs voor mij gebeden. En elke keer dat ik deze kerk binnenga, zal ik mij herinneren waar ik deze morgen zat. Daar werd het gebed des geloofs door de hele samenkomst voor mij gebeden. Ik zal nu gezond worden. Dit is het. Ik plaats hem." Nu, steek uw hand op en zeg: "Ik sla mijn paal, juist nu." God zegene u.

163 Nu bedenk, sla de paal door geloof, juist nu, precies waar u zit. Deze dag, zondag, de tiende geloof ik dat het is, of de dertiende. De dertiende dag van januari, in deze kleine Gemeente van God, op deze zekere zitplaats, bid ik het gebed des geloofs met de prediker, en met de evangelist, en met de samenkomst, terwijl de een bidt voor de ander. "Dit is de dag van mijn genezing, juist hier. Ik sla hem erin, juist hier, Here. Ik ben Uw arend. Ik ben in de toevluchtszone. Ik heb recht op elke verlossingszegen die Hij voor mij kocht. Hier ben ik, precies hier nu."

164 Hemelse Vader, ik breng hen tot U. Ik plaats mijn gebed bij het hunne. En nu, door geloof worden wij opgeheven vanuit deze gemeente, boven de sferen en de atmosferen en sferen en sferen, voorbij de sterren, de maan, boven de Melkweg, naar de troon van God, onze Vader, de grote regenboog boven dat mooie ivoren altaar. Daar ligt op dat altaar een bloedend Offer. En wij kijken op Zijn rug, zoals de profeet ons verzocht te doen, en zei: "Door Zijn striemen werden wij genezen." Vader, ik breng ieder van hen tot U. En Hijzelf zei: "Als u de Vader iets vraagt in Mijn Naam, Ik zal het doen."

165 Nu, Vader God, ik bid voor deze zieke mensen. Zij hebben deze morgen een paal geslagen. Ik geloof het met heel mijn hart. Dit is het uur voor het gebed des geloofs. En ik geloof, als ik U vraag om ieder van hen te genezen. Zij aanvaarden het. En hier slaan wij de paal als een herdenking dat we deze morgen bij de troon van God waren. Het is vastgemaakt. God deed de belofte.

166 Nu, Here, er staat geschreven in Markus, het elfde hoofdstuk en het tweeëntwintigste vers, het drieëntwintigste: "Als u zegt tot deze berg, 'word opgeheven' en niet twijfelt in uw hart, maar gelooft dat wat u hebt gezegd zal komen te geschieden, dan kunt u hebben wat u hebt gezegd." Here, het is gezegd, laat het nu gedaan worden. In de Naam van de Here Jezus Christus aanvaard ik het voor iedereen, en voor Uw glorie.

167 Nu, geloof met heel uw hart. En met onze hoofden gebogen, laten we dit oude lied van de gemeente zingen, I love Him, "Ik heb Hem lief, omdat Hij mij eerst liefhad en mijn redding kocht op Golgotha." Aanvaardt u dat u met uw genezing, uw verlossing, uw vernieuwde geest in het toevluchtsoord komt, aanvaardt u het? Steek uw hand op en zeg: "Ik aanvaard het. Ik geloof het. Juist nu." Goed, nu allen tezamen.

Ik heb Hem lief.

     Laten we Hem nu aanbidden.

Ik heb lief...

     Dank U, Here, voor het wegnemen van deze schellen van mijn ogen.

Omdat Hij mij eerst liefhad...

     (Al mijn kilte is nu vervaagd. Mijn ziekte is weg.)

Kocht mijn redding,
Op Golgotha.

168 Nu, terwijl wij dat weer zingen, wil ik dat u de hand van iemand voor u, achter u, of naast u vat en zegt: "God zegene u, pelgrim, broeder, zuster. Ik ben blij deze gemeenschap met u te hebben." Ga door voor mij te bidden als u dat nu doet, terwijl we nu weer zingen...

Ik heb Hem lief, Ik heb Hem lief,
Omdat Hij mij eerst liefhad
En mijn redding kocht...

169 Voordat ik de dienst aan de herder overgeef, laten we nu even onze handen opsteken en het met geheel ons hart zingen uit de diepten van onze ziel. Hebt u Hem lief? Zeg: "Amen." [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Laten we het weer zeggen: "Amen." Dat betekent: "Zo zij het." Ik heb Hem lief. Nu allen tezamen, laten we het zo luid mogelijk zingen.

Ik...
Ik...

170 Herder, God zegene u. Het spijt mij dat ik u toch lang gehouden heb. [De herder zegt: "Het is in orde." – Vert] Dank u.

Deze site maakt gebruik van functionele cookies.

Download
E-BookPrint
E-BookE-Book
ePub Download ePubePub is de meest gangbare formaat voor E-Book readers. Het heeft geen absolute paginaindeling. meer info...
pdf Download PDFPDF is het meest ondersteunde formaat met absolute pagina indeling. meer info...
xps Download XPSXPS is een relatief nieuw formaat dat vanaf Windows 7 gelezen kan worden zonder extra software te installeren. meer info...
printPrint
book Download PDFPDF ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...
xpsbook Download XPSXPS document ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...
English (Engels)