Hoofdstuk 5

Het tijdperk van de gemeente van Pergamus - Openbaring 2:12-17

Openbaring 2:12-17:

12 En schrijf aan de engel der gemeente, die in Pergamus is: Dit zegt Hij, Die het tweesnijdend scherp zwaard heeft:

13 Ik weet uw werken, en waar gij woont, namelijk waar de troon des Satans is, en gij houdt Mijn Naam, en hebt Mijn geloof niet verloochend, ook in die dagen, in welke Antipas, Mijn getrouwe getuige was, welke gedood is bij u, waar Satan woont.

14 Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat gij aldaar hebt, die de lering van Bileam houden, die Balak leerde de kinderen Israëls een aanstoot voor te werpen, opdat zij afgodenoffer zouden eten en hoereren.

15 Alzo hebt ook gij, die de lering der Nikolaïeten houden; hetwelk Ik haat.

16 Bekeer u; en zo niet, Ik zal haastig bij u komen, en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard van Mijn mond.

17 Die een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van het manna, dat verborgen is, en Ik zal hem geven een witte keursteen, en op de keursteen een nieuwe naam geschreven, welke niemand kent, dan die hem ontvangt.

Pergamus

Pergamum (oude naam) lag in Mysië, in een landschap dat door drie rivieren van water werd voorzien, waarvan één haar met de zee verbond. Zij wordt beschreven als de beroemdste stad in Azië. Zij was een stad waar de beschaving op hoog peil stond, en met een bibliotheek, die alleen voor die te Alexandrië onder deed. Toch was het een zeer zondige stad, overgegeven aan de losbandige plechtigheden bij de aanbidding van Asklepios (Aesculapius), die aanbeden werd in de vorm van een levende slang, die zich in de tempel bevond en daar gevoed werd. In deze prachtige stad met haar bevloeide bosjes, openbare wandelplaatsen en parken woonde een kleine groep toegewijde gelovigen, die zich niet door het vernisje van schoonheid lieten misleiden, en die afschuw hadden van de Satanische eredienst, die de plaats vervulde.

Het tijdperk

Het tijdperk van Pergamus duurde ongeveer driehonderd jaar, van 312 tot 606 na Christus.

De boodschapper

Gebruiken wij de door God gegeven regel om de boodschapper voor elk tijdperk te kiezen – namelijk dat wij diegene kiezen, wiens bediening het meest gelijkt op die van de eerste boodschapper, Paulus – dan verklaren we zonder aarzeling dat Martinus de boodschapper aan Pergamus was. Martinus werd in 315 in Hongarije geboren. Zijn levenswerk verrichtte hij echter in Frankrijk, waar hij in en om Tours als bisschop werkzaam was. Hij stierf in 399 na Christus. Deze grote heilige was de oom van een ander wonderbaar Christen, Patricius van Ierland.

Martinus werd tot Christus bekeerd toen hij als beroepssoldaat dienst deed. Toen hij nog in dienst was, gebeurde het, dat een opmerkelijk wonder plaats greep. Men verhaalt, dat een bedelaar ziek in de straten van de stad lag, waar Martinus gelegerd was. De koude winter was zwaarder dan hij kon verdragen, want hij was schamel gekleed. Niemand besteedde enige aandacht aan hem, totdat Martinus voorbij kwam. Hij zag de slechte toestand waarin de man verkeerde, maar had geen extra kledingstuk bij zich. Hij trok daarom zijn mantel uit, sneed hem in tweeën met zijn zwaard en wikkelde het kleed om de verkleumde man heen. Hij verzorgde hem zo goed hij kon en ging weg. Die zelfde nacht verscheen de Here Jezus aan hem in een gezicht. Als bedelaar stond Hij daar, gekleed in de helft van Martinus' mantel. Hij sprak tot hem en zeide: "Martinus heeft, hoewel hij slechts catechumeen is, Mij met dit kledingstuk gekleed." Vanaf die tijd zocht Martinus de Here met zijn ganse hart. Zijn leven werd een aaneenschakeling van wonderen, die de kracht Gods openbaarden.

Nadat hij het leger had verlaten en een leider in de gemeente was geworden, nam hij een zeer strijdvaardig standpunt in tegen de afgodendienst. Hij verwoestte de bossen, brak de beelden stuk en haalde de altaren omver. Toen hij tegenover de heidenen kwam te staan vanwege zijn daden, daagde hij hen uit, evenals Elia gedaan had met de profeten van Baäl. Hij bood aan om zich aan de laagste kant van een boom vast te laten binden, zodat deze – zodra hij omgehakt zou worden – hem zou verpletteren, als God niet tussen beide zou komen, en de boom in een andere richting zou laten vallen. De listige heidenen bonden hem aan een boom vast, die op de helling van een heuvel groeide, daar zij er vast van overtuigd waren dat de boom door de zwaartekracht boven op Martinus zou vallen. Op het moment dat de boom viel, deed God deze – tegen de natuur in – op het hoger gelegen deel van de helling terechtkomen. Door de neervallende boom werden sommigen van de wegvluchtende heidenen verpletterd.

Geschiedkundigen erkennen dat hij bij zeker drie gelegenheden door het geloof in Jezus' Naam doden opwekte. In één geval bad hij voor een dode baby. Net als Elia, strekte hij zich over de baby uit en bad. Deze kwam weer tot leven en was weer gezond. Bij een andere gelegenheid werd hij geroepen om een broeder te bevrijden, die werd weggesleept om gedood te worden, in een tijd van grote vervolging. Toen hij aankwam was de arme man reeds gestorven. Hij was aan een boom opgehangen. Zijn lichaam hing levenloos en zijn ogen puilden uit de kassen. Maar Martinus haalde hem van de boom af en toen hij gebeden had, werd de man weer tot leven gewekt en aan zijn verheugde gezinsleden teruggegeven.

Martinus was nimmer bang voor de vijand, onverschillig wie deze ook mocht zijn. Zo ging hij eens persoonlijk een zeer goddeloos keizer bezoeken die verantwoordelijk was voor de dood van vele met de Heilige Geest vervulde Christenen. De keizer wilde Martinus geen audiëntie verlenen; dus ging Martinus naar een vriend van de keizer, een zekere Damasus, een hardvochtige bisschop van Rome. Maar de bisschop, die een naamchristen was van de valse wijnstok, wilde niet intermediëren. Martinus ging terug naar het paleis, maar nu waren de poorten gesloten en men wilde hem niet binnen laten. Hij ging met het aangezicht ter aarde liggen en bad de Here, dat hij in het paleis zou kunnen komen. Hij hoorde een stem, die hem zei op te staan. Nadat hij was opgestaan, zag hij dat de deuren als vanzelf opengingen. Hij liep de binnenplaats op, maar de verwaande heerser wilde zijn hoofd niet omdraaien om hem aan te spreken. Martinus bad opnieuw. Plots kwam er vanzelf uit de zetel van de troon een vuur en de ongelukkige keizer maakte gauw plaats. Zeker, de Here vernedert de hoogmoedige en verhoogt de nederige.

Martinus was zo vurig in het dienen van de Here, dat de duivel heen en weer werd geschud. De vijanden der waarheid huurden sluipmoordenaars om Martinus om te brengen. Zij kwamen heimelijk naar zijn huis en toen ze op het punt stonden hem te doden, ging hij rechtop staan en ontblootte zijn keel voor het zwaard. Toen zij naar voren sprongen slingerde de kracht Gods hen plotseling terug door de kamer. Ze waren zo overmand in die heilige geduchte atmosfeer, dat zij op handen en voeten rondkropen en om vergeving smeekten voor de beraamde aanslag op zijn leven.

Maar al te vaak worden mensen, die de Here op buitengewone wijze gebruikt, hoogmoedig. Met Martinus was dit echter niet het geval. Hij bleef steeds de nederige dienstknecht van God. Op een avond, toen hij zich voorbereidde voor de kansel, kwam een bedelaar zijn studeervertrek binnen, die om kleren vroeg. Martinus verwees de bedelaar naar zijn hoofddiaken. De hoogmoedige diaken beval hem echter weg te gaan. De bedelaar kwam daarom terug bij Martinus. Martinus stond op en gaf de bedelaar zijn eigen prachtige mantel en verzocht de diaken hem een andere mantel van mindere kwaliteit te brengen. Toen Martinus, die avond het Woord predikte, zag de kudde Gods een zacht, wit lichtverschijnsel rondom zijn persoon.

Zeker, hij was een groot man, een waar boodschapper voor dat tijdperk. Nooit door een begeerte bezield, doch alleen verlangend om God te behagen, leidde hij een zeer toegewijd leven. Nimmer kon men hem ertoe bewegen te prediken voordat hij eerst gebeden had en hij in een dusdanige geestesgesteldheid was, dat hij wist, dat hij de volle raad Gods verkondigde door de Heilige Geest, Die van de hemel neergezonden was. Vaak liet hij de mensen wachten terwijl hij om volle zekerheid bad.

Als we zo iets over Martinus en zijn machtige bediening horen zouden we misschien geneigd zijn te denken, dat de vervolging der heiligen was verminderd. Doch geenszins! Ze werden nog steeds uitgeroeid door de duivel, die daartoe de goddelozen gebruikte. Zij werden op de brandstapel gezet. Ze werden met het gezicht naar beneden aan blokken gespijkerd. Wilde honden werden op hen losgelaten, die het vlees en de ingewanden wegscheurden terwijl deze de slachtoffers stervend onder de vreselijkste pijnen achterlieten. Baby's werden uit de moeder gereten en voor de varkens geworpen. Vrouwen werden van de borsten ontdaan en moesten daarbij rechtop blijven staan, terwijl bij iedere hartslag het bloed uit de wonden stroomde, tot ze dood in elkaar zakten. De tragedie wordt nog vergroot in onze ogen als men bedenkt dat dit niet alleen het werk was van heidenen, maar dikwijls van zogenaamde christenen, die meenden Gode een dienst te bewijzen, door deze trouwe soldaten van het kruis, die het Woord en de gehoorzaamheid van de Heilige Geest voorstonden, te verdelgen. Johannes 16:2: "Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja, de ure komt, dat een ieder, die u zal doden, zal menen Gode een dienst te doen." Matthéüs 24:9: "Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en gij zult gehaat worden van alle volken, om Mijns Naams wil."

Door tekenen en wonderen, door de kracht des Geestes, werd Martinus waarlijk aangewezen als de boodschapper voor dat tijdperk. Maar niet alleen was hem een grote bediening geschonken, hij was zelf altijd trouw aan het Woord van God. Hij bestreed de organisatie. Hij weerstond de zonde onder de hoog geplaatste personen. Hij kwam op voor de waarheid in woord en daad en leefde ten volle een leven van de overwinning van Christus.

Een biograaf schreef over hem het volgende: "Niemand zag hem ooit boos, of verstoord, of bedroefd, of lachend. Hij was altijd een en dezelfde en scheen iets onsterfelijks te bezitten, daar op zijn gelaat een hemelse vreugde zichtbaar was. Nooit was er iets anders op zijn lippen dan Christus, nooit iets anders in zijn hart dan vroomheid, vrede en bewogenheid. Vaak weende hij over de zonden, zelfs over die, die door degenen die hem lasterden, bedreven werden, terwijl hij afwezig was, lasterden zij hem met hun venijnige lippen en giftige tongen. Velen haatten hem om zijn deugden, die zijzelf niet bezaten en niet konden nabootsen; en helaas, zijn bitterste belagers waren de bisschoppen."

De aanhef

Openbaring 2:12b:

Dit zegt Hij, Die het tweesnijdend scherp zwaard heeft.

De boodschap aan het derde tijdperk staat op het punt verkondigd te worden. Het derde tafereel van dit toneel dat zich ontvouwt namelijk "Christus in het midden van Zijn gemeente" staat op het punt geopenbaard te worden. Met een op een bazuin gelijkende stem, stelt de Geest de Onvergelijkelijke voor: "Hij, Die het tweesnijdend scherp zwaard heeft." Hoe geheel anders wordt Hij ons hier voor ogen geschilderd als de keer toen Pilatus het Lam van God voorstelde, gekleed in de spottende purperen mantel, geslagen en met doornen gekroond en deze zei: "Ziet uw Koning." Nu staat de verrezen Heer vorstelijk gekleed en gekroond met majesteit: "Christus, de kracht Gods."

In de woorden: "Hij, Die het tweesnijdend scherp zwaard heeft", ligt weer een openbaring van de Godheid opgesloten. U zult zich herinneren, dat Hij in het tijdperk van Efeze voorgesteld werd als de onveranderlijke God. In het tijdperk van Smyrna zagen we Hem als de ENE WARE GOD, en buiten Hem was er geen ander. Nu is er in dit tijdperk van Pergamus een verdere openbaring van Zijn Godheid, doordat Hij wordt voorgesteld met het tweesnijdend zwaard, dat is het Woord Gods. Hebreeën 4:12: "Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling van de ziel en van de geest, en van de samenvoegselen en van het merg, en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten." Efeze 6:17: "...en neemt het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord." Openbaring 19:13 en 15a: "En Hij was bekleed met een kleed, dat met bloed gekleurd was; en Zijn Naam wordt genaamd het Woord Gods." "En uit Zijn mond ging een scherp tweesnijdend zwaard." Johannes 1:1–3: "In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit (het Woord) was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is." I Johannes 5:7: "Want drie zijn er, die getuigen in de hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze drie zijn ÉÉN."

Nu kunnen we Zijn verhouding tot het Woord begrijpen. HIJ IS HET WOORD. Dat is Hij. HET WOORD IN ZIJN NAAM.

In Johannes 1:1 waar staat: "In den beginne was het Woord", staat in de grondtekst voor "Woord" "Logos", dat "gedachte" of "begrip" betekent. Het heeft een dubbele betekenis van "gedachte" en "spraak". Nu is een uitgedrukte gedachte een woord of meerdere woorden. Is dat niet wonderbaar en machtig? Johannes zegt dat de gedachte van God in Jezus was uitgedrukt. Paulus zegt precies hetzelfde in Hebreeën 1:1–3: "God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon (de Logos); Die Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Wie Hij ook de wereld gemaakt heeft; Die, alzo Hij is het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelf te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen." God werd tot uitdrukking gebracht in de persoon van Jezus Christus. Jezus was het uitgedrukte Beeld van God. Ook in Johannes 1:14 weer: "En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond." Het wezen zelve van God is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. De grote Geest-God, tot Wie niemand kon naderen. Die niemand had gezien of aanschouwd, was nu in het vlees getabernakeld en woonde onder de mensen, en drukte de volheid van God voor de mensen uit. Johannes 1:18: "Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard." God, Die Zijn aanwezigheid bij bepaalde gebeurtenissen door een wolk of een vuurkolom openbaarde, waardoor de harten der mensen door vrees bevangen werden, deze God, van Wie de hoedanigheden van Zijn hart alleen bekend gemaakt werden door openbaring van Woorden door de profeten, werd nu Immanuël (God met ons), en verklaarde Zich alzo. Het woord "verklaren" is genomen van de Griekse stam, die we vaak vertolken door Schriftverklaring (exegese), wat grondig uitleggen en duidelijk maken betekent. Dat is wat het levende WOORD, Jezus, heeft gedaan. Hij bracht God tot ons, want Hij was God. Hij openbaarde God aan ons op zo'n volmaakte wijze, dat Johannes over Hem kon zeggen in I Johannes 1:1–3: "Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben (Logos betekent 'spraak'), hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben, van het Woord des levens (want het Leven is geopenbaard, en wij hebben het gezien, en wij getuigen, en verkondigen u dat eeuwige Leven, Hetwelk bij de Vader was, en ons is geopenbaard); hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met de Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus."

Toen God werkelijk geopenbaard werd, werd Hij in het vlees geopenbaard. "Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien."

Zoëven bij Hebreeën 1:1–3 merkten we op dat Jezus het uitgedrukte beeld van God was. Hij was God, Die zich uitdrukte van mens tot mens. Maar er is nog iets anders in deze verzen te zien, vooral in vers 1 en 2. "God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon." In de Scofield Bible staat in de marge aangegeven dat het woord "door" geen juiste vertaling is. Het hoort te zijn "IN". Er staat dus: "God sprak voortijds tot de vaderen IN de profeten... door middel van het Woord", en dat is juist. 1 Samuël 3:21b: "Want de HERE openbaarde Zich aan Samuël te Silo, door het Woord des HEREN." Dat doet I Johannes 5:7 volmaakt uitkomen: "De Geest en het Woord zijn ÉÉN." Jezus openbaarde de Vader. Het Woord openbaarde de Vader. Jezus was het levende Woord. Prijst God, Hij is heden nog steeds dat Levende Woord!

Toen Jezus op aarde was, zei Hij: "Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben, en de Vader in Mij is? De Woorden, die Ik tot u spreek, spreek Ik van Mijzelf niet, maar de Vader, Die in Mij blijft, Die doet de werken." Johannes 14:10. Hier wordt heel duidelijk uiteengezet, dat de volmaakte openbaring van God in de Zoon was door middel van de inwonende Geest, Die Zich in Woord en werken openbaarde. Dat is precies, wat we steeds gezegd hebben. Als de bruid terugkeert om een Woord-bruid te zijn, zal zij dezelfde werken voortbrengen, die Jezus voortgebracht heeft. Het Woord is God. De Geest is God. Zij allen zijn ÉÉN. De ene kan niet afzonderlijk van de andere werken. Als iemand werkelijk de Geest van God heeft, zal hij het Woord van God hebben. Zo was het met de profeten gesteld. Zij bezaten de inwonende Geest Gods en het Woord kwam tot hen. Zo was het met Jezus. De Geest was in Hem "niet met mate" en het Woord kwam tot Hem. ("Jezus heeft beide begonnen te doen en te LEREN." "Mijn leer is Mijne niet, maar van de Vader, Die Mij gezonden heeft." Handelingen 1:1 en Johannes 7:16.)

Bedenk dat Johannes de Doper zowel de profeet als de boodschapper van zijn tijd was. Hij was vervuld met de Heilige Geest van de schoot zijner moeder aan. Toen hij in de Jordaan doopte, kwam het Woord Gods (Jezus) tot hem. Het Woord komt altijd tot de werkelijk met de Geest vervulde mens. Dat is het bewijs van de vervulling met de Heilige Geest. Hij zeide: "En ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid; namelijk de Geest der waarheid, Die de wereld niet kan ontvangen." Johannes 14:16–17a. Nu weten we wat de waarheid is. "Uw woord is de waarheid." Johannes 17:17b. Zie ook Johannes 8:43: "Waarom kent gij Mijn spraak niet? Het is, omdat gij Mijn Woord niet kunt horen." Heeft u gemerkt dat Jezus zegt dat de wereld de Heilige Geest niet kon ontvangen? Wel, ik las zo net in dit vers, dat zij ook niet het Woord konden ontvangen. Waarom niet? Omdat de Geest en het Woord één zijn, en als u de Heilige Geest bezit, zoals de profeten, zou het Woord tot u komen. U zou het ontvangen. In Johannes 14:26 staat: "Maar de Trooster, de Heilige Geest, Die de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles LEREN, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb." Hier zien we opnieuw het Woord komen vanwege de Geest van God. Ook in Johannes 16:13 staat het geschreven: "Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid (het Woord), zal Hij u in al de waarheid leiden (Uw Woord is de waarheid); want Hij zal van Zichzelf niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben (het Woord van God), zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen." (De Geest, Die het Woord der profetie brengt). Ik wil dat u goed opmerkt dat Jezus NIET zei, dat spreken in tongen, vertolking, profeteren, of juichen en dansen het bewijs van de doop met de Heilige Geest was. Hij zei, dat het bewijs zou zijn, dat u in de WAARHEID zou zijn; u zou in het Woord van God voor uw tijdperk zijn. Het bewijs heeft te maken met het ontvangen (aanvaarden) van dat Woord.

In I Korinthe 14:37: "Indien iemand meent een profeet te zijn, of geestelijk, die erkenne, dat hetgeen ik u schrijf, geboden des Heren zijn." Begrijp dat goed. Het bewijs van de inwoning van de Geest was dit: te erkennen en te VOLGEN hetgeen Gods profeet voor zijn tijdperk doorgaf, zoals hij de gemeente op orde stelde. Tot hen, die aanspraak maakten op een andere openbaring moest Paulus zeggen (vers 36): "Is het Woord Gods van u uitgegaan? Of is het tot u alleen gekomen?" Het bewijs van een met de Geest vervuld Christen-gelovige is niet, dat hij de waarheid (het Woord) voortbrengt, maar dat hij de waarheid (het Woord) ontvangt (aanvaardt), dat hij het Woord gelooft en Het gehoorzaamt.

Hebt u opgemerkt hoe in Openbaring 22:17 staat: "En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom!" Ziet u, de bruid spreekt hetzelfde Woord als de Geest! Zij is een Woord-bruid, en bewijst, dat ze de Geest heeft. In elk gemeente-tijdperk horen we deze woorden: "Die een oor heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt." De Geest geeft het Woord. Als u de Geest hebt, zult u het Woord dat voor uw tijdperk bestemd is horen, zoals de ware Christenen het Woord voor hun tijdperk aannamen.

Begrijpt u wat er met deze laatste gedachte bedoeld wordt? Ik herhaal; ieder tijdperk der gemeente eindigt met dezelfde vermaning: "Die een oor heeft, die (een individu) hore wat de Geest tot de gemeenten zegt." De Geest schenkt het Woord. Deze heeft de waarheid zoals die voor ieder tijdperk bestemd is. Ieder tijdperk kent zijn eigen uitverkorenen, en die uitverkoren groep mensen "hoorde altijd het Woord", nam het aan, wat bewees dat zij het Zaad in zich hadden. Johannes 8:47: "Die uit God is, hoort de woorden Gods; daarom hoort gij niet, omdat gij uit God niet zijt." Zij wezen het Woord (Jezus) af en Zijn Woorden die voor hun dagen bestemd waren, maar het ware Zaad nam het Woord wel aan, omdat zij uit God waren. "En al Uw kinderen zullen van de HERE geleerd zijn." (De Heilige Geest) Jesaja 54:13. Jezus heeft hetzelfde gezegd in Johannes 6:45. OF U ÉÉN BENT MET HET WOORD, dàt is het bewijs ervan of u uit God bent en met de Geest vervuld. Een andere maatstaf bestaat er niet.

Maar wat zijn dan de tongen en de vertolking en de andere gaven? Dit zijn manifestaties. Zo wordt het door het Woord geleerd. Lees dit eens in I Korinthe 12:7: "Maar aan een ieder wordt de OPENBARING des Geestes gegeven tot hetgeen nuttig is." Vervolgens somt Paulus die uitingen (openbaringen) op.

Nu komt die heel goede vraag waarvan ik weet dat u die graag zou willen stellen. Waarom is de uiting niet een bewijs van de doop met de Heilige Geest, want men kan toch de Heilige Geest niet openbaren, tenzij men werkelijk met die Geest vervuld is?

Wel, ik zou graag willen, dat ik kon zeggen dat dit juist is, omdat ik er niet van houd mensen te kwetsen of hun leer omver te werpen; maar ik zou geen echte dienstknecht van God zijn als ik u niet heel de raad Gods zou verkondigen. Is dat juist of niet? Laten we eens een figuur als Bileam onder de loep nemen. Hij was een godsdienstig mens, die God vereerde. Hij wist hoe men aan God moest offeren en hoe men Hem moest benaderen, maar hij was geen profeet van het Ware Zaad, want hij nam het loon der ongerechtigheid aan, en wat het ergste was, hij verleidde het volk Gods tot de zonden van hoererij en afgoderij. Maar wie durft er te ontkennen dat de Geest Gods Zich ondanks dit alles toch door hem openbaarde in één van de mooiste gedeelten van beslist nauwkeurige profetie die de wereld ooit gekend heeft? Maar hij bezat de Geest helemaal niet. Wat denkt u dan van Kajafas, de hogepriester? De Bijbel zegt, dat hij profeteerde wat voor dood de Heer zou sterven. We weten allen dat hij niet beschreven wordt als iemand, die met de Geest vervuld was, of door de Geest geleid werd, zoals het geval was bij de oude Simeon of de dierbare heilige die Anna genaamd wordt. Maar toch had hij een echte openbaring van de Heilige Geest. Dat valt niet te ontkennen. Dus waar wordt dan de uiting als een bewijs genoemd? Nergens zult u dit aantreffen. Als u waarlijk vervuld bent met de Geest van God, zult u het bewijs van het WOORD in uw leven hebben.

Laten wij u eens tonen hoezeer ik doordrongen ben van deze waarheid door een openbaring welke God mij gegeven heeft. Maar voor ik dit vertel, wil ik het volgende zeggen. Velen uwer geloven, dat ik een profeet ben. Ik zeg zoiets niet. U hebt het gezegd. Maar beiden weten we, dat de visioenen, die God mij geeft, NOOIT VERKEERD uitkomen. NIET EENMAAL. Als er iemand is, die kan aantonen dat ooit een visioen onjuist was, dan wil ik het weten. Nu u mij tot zover gevolgd hebt, hier is mijn verhaal.

Vele jaren geleden, toen ik voor het eerst met de pinkstermensen in aanraking kwam, was ik in één van hun openlucht bijeenkomsten. Er was veel uiting van tongentaal, vertolking van tongen en profetie. Vooral twee predikers blonken hierin uit; ze overtroffen alle andere broeders in dit opzicht. Ik genoot intens van de diensten en was werkelijk geïnteresseerd in de verscheidene uitingen, want het leek allemaal heel echt. Het was mijn vurige wens, alles te leren over deze gaven wat ik maar kon leren en daarom besloot ik er met de twee mannen eens over te gaan praten. Door de gave van God, die in mij is, probeerde ik er achter te komen, of de geest van de eerste man echt uit God was of niet. Na een kort gesprek met deze dierbare, nederige broeder, wist ik dat hij een oprecht en serieus Christen was. Hij was echt. De andere man was geheel anders dan de eerste. Hij was vol grootspraak en trots, en toen ik tegen hem sprak, trok er een visioen voor mijn ogen voorbij en ik zag dat hij met een blonde dame was getrouwd, maar daarnaast leefde met een brunette en twee kinderen bij haar had. Als er ooit een huichelaar was, dan was hij het wel. Laat ik u zeggen, dat ik diep geschokt was. Wat kon ik anders zijn? Hier waren twee mensen, een hunner was een echt gelovige, de ander een zondige imitator. EN TOCH OPENBAARDEN ZE BEIDEN GAVEN VAN DE GEEST. Ik was bedroefd vanwege deze verwarde toestanden. Ik verliet de bijeenkomst en zocht God voor het antwoord. Ik ging alleen naar een verborgen plek en daar bad ik met mijn Bijbel en wachtte tot God zou antwoorden. Niet wetend wat voor Schriftgedeelte ik moest lezen, opende ik toevallig de Bijbel bij een willekeurige plaats in Matthéüs. Ik las een ogenblik en legde toen de Bijbel neer. Plotseling woei er een wind door de kamer, waardoor de bladeren omgeslagen werden naar Hebreeën 6. Ik las het door en werd bijzonder getroffen door deze merkwaardige verzen. Hebreeën 6:4–9. "Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gaven gesmaakt hebben, en de Heilige Geest deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede Woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw, en afvallig worden, die, zeg ik, weer te vernieuwen tot bekering, daar zij voor zichzelf de Zoon van God weer kruisigen en openlijk te schande maken. Want de aarde, die de regen, menigmaal op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door wie zij ook bebouwd wordt, die ontvangt zegen van God; maar die doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk, en nabij de vervloeking, wier einde is tot verbranding. Maar, geliefden, wij verzekeren ons van u betere dingen, en met de zaligheid gevoegd, hoewel wij alzo spreken."

Ik deed mijn Bijbel dicht, legde hem neer, peinsde een ogenblik en bad nog wat. Ik wist nog steeds niet het antwoord. Toen opende ik opnieuw de Bijbel zonder bepaald iets te zoeken, maar ik las er niet in. Plotseling ging de wind opnieuw door de ruimte heen en weer sloegen de bladzijden om naar Hebreeën 6 en bleven zo liggen daar de wind er niet meer was. Ik las die woorden nog eens en toen ik daarmee bezig was, daalde de Geest Gods neder in de kamer en ik aanschouwde een gezicht. In het gezicht zag ik een man gekleed in het zuiverste wit, die voortliep in een pas geploegd veld en tarwe zaaide. Het was een heldere dag en het was ochtend toen hij zaaide. Maar 's avonds laat, nadat de zaaier in het wit was heen gegaan, verscheen iemand in het zwart, die heimelijk ook zaad zaaide tussen het zaad dat de man in het wit gezaaid had. De dagen verstreken – de zon en de regen zegende de grond; en op zekere dag kwam de tarwe op. Hoe schoon was dit! Maar de volgende dag verscheen ook het onkruid.

De tarwe en het onkruid groeiden tezamen op. Zij kregen het zelfde gemeenschappelijke voedsel uit dezelfde grond. Zij dronken van dezelfde regen en genoten van hetzelfde zonlicht.

Toen werd op zekere dag de hemel als koper en alle planten gingen neerhangen en dreigden te sterven. Ik zag toen hoe de tarwe het hoofd ophief en ik hoorde het tot God roepen om regen. Evenzo verhief het onkruid zijn stem en smeekte om regen. Toen betrok de lucht en er kwam regen en opnieuw – nu vol kracht – verhief de tarwe haar stem en riep in aanbidding uit: "Prijst de Heer!" En tot mijn verbazing hoorde ik ook hoe het tot leven teruggekomen onkruid opzag naar boven en zei: "Halleluja!"

Toen wist ik wat de waarheid was over die samenkomst in de openlucht en over het gezicht. De gelijkenis van de Zaaier en het Zaad, het zesde hoofdstuk uit Hebreeën en de duidelijke openbaring van geestelijke gaven in een gemengd gehoor – alles werd op wonderlijke wijze duidelijk. De Zaaier in het wit was de Heer. De zaaier in het zwart was de duivel. De wereld was de akker. Het zaad stelde mensen voor, uitverkorenen en verworpenen. Beiden hadden hetzelfde gemeenschappelijke voedsel, hetzelfde water en dezelfde zon. Beiden baden. Beiden ontvingen ze bijstand van God, want Hij doet Zijn zon schijnen en de regen neerkomen over slechten en goeden. En hoewel ze allebei dezelfde wonderbare zegen en dezelfde wonderbare uitingen hadden, WAS ER NOCHTANS DIT ENE VERSCHIL: ZE WAREN AFKOMSTIG VAN VERSCHILLEND ZAAD.

Hier was ook het antwoord op Matthéüs 7:21–23: "Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet de wil van Mijn Vader, Die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!" Jezus ontkent hier niet dat zij de machtige werken deden die alleen maar de Heilige Geest door middel van mensen kan doen. Maar wèl ontkent Hij hen ooit gekend te hebben. Dit waren geen afgevallen mensen. Dit waren goddelozen, onwedergeborenen, verworpenen. Dezen waren het zaad van Satan.

En daar gaat het om. U KUNT NIET beweren, dat een uiting bewijst dat men uit de Geest geboren is of met de Geest vervuld. In geen geval. Ik wil toegeven dat een èchte uiting het bewijs is van de Heilige Geest, die machtige dingen bewerkt, maar het is GEEN BEWIJS ervan of iemand met de Geest vervuld is, zelfs al zou die persoon dergelijke uitingen in overvloed hebben.

Het bewijs van het ontvangen van de Heilige Geest in deze tijd is precies hetzelfde als het destijds was in de dagen van onze Heer. Het is het ontvangen van het Woord der waarheid, dat bestemd is voor de dagen waarin u leeft. Jezus legde nooit zozeer de klemtoon op de werken, zoals Hij die op HET WOORD legde. Hij wist dat, indien de mensen het WOORD ontvingen de werken wel zouden volgen. Dat is Bijbels.

Nu wist Jezus, dat men in het tijdperk van Pergamus op verschrikkelijke wijze van dat Woord zou afdrijven; het was een tijdperk dat tweehonderd jaar na het gezicht op Patmos aanving. Hij wist, dat men zover van het Woord des Heren zou afdrijven, dat men tenslotte terecht kwam in de donkere Middeleeuwen. Hij wist, dat de wijze waarop de mens oorspronkelijk van God afdwaalde was dat hij allereerst het Woord verliet. Indien u het Woord verlaat, bent u van God afgedwaald. Daarom stelt Hij Zich aan de gemeente van Pergamus – en in feite aan al de gemeenten uit alle tijdperken – aldus voor: "Ik ben het Woord. Indien gij de Godheid in uw midden wilt hebben, heet dan het Woord welkom en neemt het aan. Laat niets of niemand ooit tussen u en dat Woord in komen te staan. Wat Ik u geef (het Woord) is een openbaring van Mijzelve. IK BEN HET WOORD. Onthoudt dat!"

Ik vraag me af of we wel voldoende onder de indruk zijn van het Woord in ons midden. Laat ik hier een gedachte naar voren brengen. Op welke wijze bidden we? We bidden in Jezus' Naam, nietwaar? Ieder gebed is in Zijn Naam, want anders wordt het niet verhoord. Toch wordt ons in I Johannes 5:14 gezegd: "En dit is de vrijmoedigheid, die wij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort. En indien wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, zo weten wij, dat wij de beden verkrijgen, die wij van Hem gebeden hebben." Nu vragen we: "Wat is de wil van God?" Er is maar ÉÉN MANIER waarop u Zijn wil kunt leren kennen en dat is door het WOORD VAN GOD. Klaagliederen 3:37: "Wie zegt wat, hetwelk geschiedt, zo de HERE het niet beveelt?" Daar gaat het om. Als het niet in het Woord te vinden is, kunt u het niet hebben. Daarom kunnen we niet vragen om iets tenzij het in het Woord besloten ligt en we kunnen geen smeekbede opzenden of iets vragen tenzij het geschiedt in Zijn Naam. Daar gaat het steeds om. JEZUS (de Naam) is het WOORD (de wil). U kunt God en het Woord niet scheiden. Deze zijn ÉÉN.

Welnu, het Woord dat Hij achterliet op gedrukt papier is een deel van Hem wanneer u het aanvaardt door geloof in een met de Geest vervuld leven. Hij zei, dat Zijn Woord léven was. Johannes 6:63b. Maar dit komt geheel overeen met wat Hij is. Johannes 14:6: "Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven." Romeinen 8:9b: "Maar zo iemand de Geest van Christus niet heeft, die komt (Nieuwe vertaling: behoort) Hem niet toe." Daar gaat het om. Hij is de Geest en Hij is het Leven. Dat is ook precies wat het Woord is; dat is precies wat Jezus is. Hij is het Woord. Dus wanneer een uit de Geest geboren en met de Geest vervuld mens dat Woord in geloof aanneemt in Zijn hart en het uitspreekt, dan is dat hetzelfde als wanneer de Godheid Zelf zou spreken. Elke berg moet wijken. Satan kan niet standhouden voor die mens.

Indien de gemeente, ver terug in dat derde tijdperk, alleen maar aan de openbaring van dat levende Woord in haar midden had vastgehouden, dan zou de kracht Gods niet verdwenen zijn zoals geschiedde in de donkere Middeleeuwen. En juist in onze tijd, wanneer de gemeente in geloof terugkeert tot het Woord, kunnen we zonder twijfel zeggen, dat Gods heerlijkheid en de wonderbare werken Gods weer in haar midden zullen zijn.

Toen ik op een avond de Heer zocht, zei de Heilige Geest mij dat ik mijn pen moest opnemen om te schrijven. Toen ik naar mijn pen greep en schreef, gaf Zijn Geest mij een boodschap door voor de gemeente. Ik wil deze aan u doorgeven. Zij houdt verband met het Woord en de bruid. Hier volgt wat ik u probeer te zeggen:

De wet der voortplanting houdt in, dat iedere soort zich voortplant naar zijn eigen aard; dit is geheel in overeenstemming met Genesis 1:11: "En God zeide: Dat de aarde uitschiete grasscheutjes, zaadzaaiend kruid, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, welks zaad daarin zij op de aarde! En het was alzo." Wat voor leven er ook in het zaad was, het kwam te voorschijn in een plant en daardoor in de vrucht. Precies dezelfde wet is van toepassing op de gemeente in deze tijd. Het zaad, waaruit de gemeente ontstond, zal te voorschijn komen en identiek zijn aan het oorspronkelijk zaad, daar het hetzelfde zaad is. In deze laatste dagen zal de ware bruidsgemeente (het zaad van Christus) tot de Hoeksteen naderen, en zij zal de "super gemeente" zijn, een superras, daar zij aan Hem gelijkvormig wordt. Degenen die in de bruid zijn zullen Hem zozeer gelijk zijn, dat ze zelfs naar Zijn eigen beeltenis zullen zijn. Dit, teneinde met Hem verenigd te kunnen worden. Zij zullen één zijn. Zij zullen de openbaring zelve zijn van het Woord van de levende God.

Denominaties kunnen dit niet voortbrengen (het verkeerde zaad). Zij zullen hun belijdenissen en dogma's, vermengd met het Woord, opleveren. Deze bastaardin levert aldus een bastaardprodukt op.

De eerste zoon (Adam) was het gesproken "zaad-Woord" van God. Hem werd een bruid gegeven om zich te kunnen voortplanten. Daarom werd de bruid hem geschonken, opdat hij zich zou kunnen voortplanten; opdat hij een andere zoon van God zou kunnen voortbrengen. Maar zij kwam te vallen. Zij kwam te vallen door bastaarding. Zij was er de oorzaak van dat hij stierf.

De tweede Zoon, Jezus, eveneens een gesproken "Zaad-Woord" van God, kreeg, net als Adam, een bruid. Maar voor Hij haar kon huwen, kwam ook zij te vallen. Zij werd, evenals de vrouw van Adam, op de proef gesteld of zij het Woord van God zou geloven en leven, of het Woord in twijfel zou trekken en sterven. Zij twijfelde eraan. Zij week af van het Woord, en zij stierf.

Uit een klein groepje mensen van het ware zaad des Woords zal God een beminde bruid aan Christus aanbieden. Zij is een maagd van Zijn Woord. Zij is maagd, omdat zij geen door de mens opgestelde belijdenissen of dogma's kent. Door en door bemiddeling van de leden der bruid zal alles worden vervuld wat door God beloofd was om in de maagd tot openbaring te komen.

Het woord der belofte geschiedde tot de maagd Maria. Maar dat Woord der belofte was Hijzelf, Die geopenbaard moest worden. God werd geopenbaard. Hijzèlf trad in die tijd op en vervulde Zijn eigen Woord der belofte in de maagd. Het was een engel, die haar de boodschap had gebracht. Maar de boodschap van de engel was het Woord Gods (Jesaja 9:6). Hij bracht toen alles in vervulling dat van Hem stond geschreven, omdat zij Zijn Woord dat tot haar kwam, aannam.

De leden der maagdelijke bruid zullen Hem liefhebben, en zij zullen Zijn vermogens bezitten, want Hij is hun hoofd en alle macht komt Hem toe. Zij zijn Hem onderworpen, evenals de leden van ons lichaam onderworpen zijn aan het hoofd.

Let op de harmonie die er bestaat tussen de Vader en de Zoon. Jezus deed nooit iets zonder dat het Hem eerst door de Vader getoond was. (Johannes 5:19). Deze zelfde harmonie moet nu bestaan tussen de Bruidegom en Diens bruid. Hij toont haar Zijn Woord des levens. Zij neemt het aan. Zij trekt het in geen enkel opzicht in twijfel. Daarom kan niets haar schade doen, zelfs de dood niet. Want als het zaad geplant is, zal het water het weer doen opschieten. Hier is het geheim ervan. Het Woord is in de bruid (zoals het was in Maria). De bruid heeft de zin van Christus, want zij weet wat Hij wil dat er met het Woord gedaan wordt. Zij volvoert het bevel des Woords in Zijn Naam, want zij bezit het "Zo spreekt de Here". Dan wordt het Woord levend gemaakt door de Geest en gaat het in vervulling. Als een zaad dat geplant en begoten wordt, komt het tot volle rijpheid en beantwoordt het aan haar doel.

Degenen die in de bruid zijn volbrengen alleen Zijn wil. Niemand kan hen ertoe brengen anders te handelen. Zij bezitten het "Zo spreekt de Here", of ze houden zich stil. Zij weten dat het God in hen moet zijn, Die de werken doet en Zijn eigen Woord vervult. Hij voltooide niet al Zijn werk tijdens Zijn aardse bediening en derhalve werkt Hij nu in en door de bruid. Zij weet dit, want het was voor Hem nog niet de tijd, om toen bepaalde dingen te doen, die Hij nu moest doen. Maar nu zal Hij door de bruid dat werk volbrengen, het werk dat Hij voor deze bepaalde tijd bestemd had.

Laten we nu de positie innemen die Jozua en Kaleb innamen. Ons beloofde land komt in zicht evenals bij hen het geval was. Nu betekent het woord "Jozua": Jehova Verlosser, en hij stelt de eindtijd-leider voor die tot de gemeente zal komen, net zoals Paulus kwam als oorspronkelijke leidsman. Kaleb vertegenwoordigt diegene die Jehova trouw bleven, samen met Jozua. Bedenk dat God begonnen was met Israël als een maagd met Zijn Woord. Maar zij wilden iets anders. En de gemeente uit de laatste dagen ook. Let erop, dat God Israël ook niet liet optrekken of in het beloofde land komen, totdat de tijd, die Hij bestemd had, was aangebroken. Nu had men Jozua, de leidsman, onder druk kunnen zetten door te zeggen: "Het land is van ons, laten we dus optrekken en het in bezit nemen. Jozua, je hebt bij ons afgedaan, je bent je opdracht kwijt, je bezit niet de kracht die je gewoonlijk bezat. Je luisterde altijd naar God en wist de wil van God en wist snel te handelen. Er is iets mis met je." Doch Jozua was een door God gezonden profeet en hij kende de beloften Gods. Daarom wachtte hij op de vervulling daarvan. Hij wachtte op een klaar en duidelijk besluit van God en wanneer de tijd kwam dat men moest optrekken, legde God de volledige leiding op de schouders van Jozua, omdat hij zich aan het Woord had gehouden. God kon Jozua vertrouwen, maar de anderen niet. Dit zal zich op gelijke wijze herhalen in deze eindtijd. Hetzelfde probleem, dezelfde pressie.

Neem het voorbeeld dat we in Mozes vinden. De geboorte van deze machtige gezalfde profeet Gods was van bijzondere aard, daar hij op de juiste tijd geboren werd voor de verlossing van Abrahams zaad uit Egypte. Hij bleef in geen geval in Egypte om met hen te discussiëren over de Schrift noch om zich druk te maken tegenover de priesters. Hij ging de woestijn in totdat het volk bereid was hem te ontvangen. God riep Mozes naar de woestijn. Het lag niet aan Mozes, dat hij moest wachten, maar aan de mensen, die niet bereid waren hem te ontvangen. Mozes meende dat de mensen het zouden verstaan, maar ze verstonden het niet.

Dan is er Elia, tot wie het Woord des Heren geschiedde. Toen hij praktisch klaar was met het prediken van het Woord en die groep mensen, die de voorloper is van de "Izebel-groep" van Amerika, toentertijd niet het woord wilde aannemen, nam God hem weg van Zijn arbeidsterrein en bezocht die generatie met plagen omdat zij de profeet en de boodschap die God gegeven had, verworpen hadden. God riep hem naar de woestijn en hij kwam er niet uit, zelfs niet voor de koning. Wie hem probeerde over te halen, stierf. Maar God sprak tot Zijn getrouwe profeet door visioenen. Hij kwam te voorschijn en bracht Israël het Woord terug.

Toen verscheen Johannes de Doper, de getrouwe voorloper van Christus, de machtige profeet van zijn tijd. Hij ging niet naar de school van zijn vader, noch naar de school der Farizeeën – hij ging naar geen enkele denominatie, maar naar de woestijn, waarheen hij door God geroepen werd. Daar bleef hij totdat de Heer hem uitzond met de boodschap en hij het uitriep: "De Messias is op komst!"

Laten we hier een Schriftuurlijke waarschuwing aannemen. Geschiedde het niet in de dagen van Mozes, die door God was aangewezen, dat Korach opstond en die machtige profeet tegenstond? Hij ging redetwisten met Mozes en beweerde dat hij net zoveel van God had ontvangen om het volk te kunnen leiden en dat anderen net zozeer deel hadden aan de goddelijke openbaring als Mozes. Hij erkende niet het gezag van Mozes. De mensen in die tijd – nadat zij het ware Woord hadden gehoord en goed bekend waren met het feit dat een echt profeet, door God werd aangewezen – die mensen, zeg ik, geraakten onder de bekoring van Korach en zijn tegenspreken. Korach was geen Schriftuurlijke profeet, maar de mensen en hun leiders steunden in groten getale op hem. Wat lijkt dit alles op de hedendaagse evangelisten met hun "gouden kalf"-programma's, zoals Korach die had. Zij maken een goede indruk op de mensen net als Korach, die toen ook zo goed scheen te zijn. Zij hebben bloed op hun voorhoofd, olie aan hun handen en vuurballen op het podium. Zij laten vrouwelijke predikers toe, vinden het goed dat vrouwen hun haar kort knippen en korte en lange broeken dragen en gaan voorbij aan het Woord van God, terwille van hun eigen geloofsbelijdenissen en dogma's. Dat toont wel aan wat voor zaad in hen is. Doch niet alle mensen keerden zich tegen Mozes en verlieten het Woord van God. Neen, de uitverkorenen bleven aan zijn zijde staan. Hetzelfde gebeurt tegenwoordig weer. Velen verlaten het Woord, maar enkelen blijven het Woord getrouw. Denk hier aan de gelijkenis van de tarwe en het onkruid. Het onkruid moest samengebonden worden om te worden verbrand. Deze afgevallen kerken worden vaster en vaster bijeengebonden, gereed voor het vuur van Gods oordeel. Maar de tarwe zal spoedig verzameld worden voor de Meester.

Ik wil, dat u hier nu goed oplet, zodat u dit zult kunnen zien. God heeft beloofd, dat in de eindtijd Maleachi 4 vervuld zal worden. Dat moet in vervulling gaan, want het is het door de Geest levendgemaakte Woord van God, dat door de profeet Maleachi gesproken is. Jezus heeft er naar verwezen. Het is nu vlak voor de tweede komst van Christus. Tegen de tijd dat Jezus komt moet de gehele Schrift zijn vervuld. De bedeling der heidenen zal in haar laatste gemeente-tijdperk zijn als die boodschapper uit Maleachi verschijnt. Hij zal nauwkeurig bij het Woord blijven. Hij zal de gehele Bijbel nemen, van Genesis tot en met Openbaring. Hij zal beginnen bij het slangenzaad en doorgaan tot de boodschapper in de spade regen. Maar de denominaties zullen hem verwerpen.

Dit moet zo geschieden, want de geschiedenis herhaalt zich zoals die zich in de tijd van Achab afspeelde. De geschiedenis van Israël onder koning Achab speelt zich weer precies zo af, hier in Amerika waar de profeet van Maleachi 4 verschijnt. Net zoals Israël uit Egypte toog om in vrijheid God te vereren, de oorspronkelijke bewoners verdreef, een natie opbouwde met grote leiders zoals David, enzovoort, totdat het een Achab op de troon plaatste, die een Izebel achter zich had staan die de toon aangaf, zo hebben ook wij in Amerika precies eender gehandeld. Onze voorvaderen gingen naar dit land om in vrijheid God te kunnen vereren en te leven. Zij verdreven de inlandse bevolking en namen het land in bezit. Krachtige figuren als Washington werden verwekt, maar na een tijdje volgden er anderen, van zulk een armzalig kaliber, deze waardige mannen op, dat al gauw een Achab op de presidentiële zetel werd gezet, die een Izebel achter zich had staan die hem leidde. En in zulk een tijd moet de boodschapper uit Maleachi 4 verschijnen. Dan zal in de late regen alles aan de kaak gesteld worden zoals op de Karmel. Let hier nu goed op, opdat u het in het Woord kunt zien.

Johannes was de voorloper uit Maleachi 3. Hij plantte voor de vroege regen en werd door de denominaties van zijn tijd verworpen. Toen kwam Jezus en Hij stelde alles aan de kaak op de Berg der Verheerlijking. De tweede voorloper van Christus zal voor de late regen zaaien. Jezus zal de confrontatie zijn tussen de denominaties en de geloofsbelijdenissen, want Hij zal wederkomen om Zijn Woord te bevestigen en Zijn bruid wegnemen in de Opname.

De eerste confrontatie vond plaats op de Karmel; de tweede op de Berg der Verheerlijking, en de derde zal zijn op de berg Sion. Het zonderlinge gedrag van Mozes, Elia en Johannes, die zich van het volk afzonderden, heeft velen in verwarring achtergelaten. Zij beseften niet, dat zij zo deden omdat hun boodschap werd verworpen. Maar het zaad was gezaaid, het planten was voorbij. Het oordeel stond nu te wachten. Zij hadden aan hun doel beantwoord als een teken voor de mensen, en dus was het gericht aanstaande.

Ik geloof – overeenkomstig Openbaring 13:6 – dat de bruid gedwongen zal worden om met prediken te stoppen, want het beest eist het merkteken in de hand of op het voorhoofd indien men toestemming wil hebben om te kunnen prediken. Denominaties zullen het merkteken aannemen, of worden gedwongen met prediken te stoppen. Dan zal het Lam komen voor Zijn bruid en de grote hoer oordelen.

Herinner u nu, dat Mozes geboren werd om een bepaald werk te verrichten, maar dat werk pas kon volvoeren wanneer hij de gaven had gekregen die hem in staat zouden stellen het werk te doen. Hij moest uitgaan in de woestijn om daar te wachten; God had een vastgestelde tijd. Er moest een bepaalde farao op de troon zitten en de mensen moesten roepen om het brood des levens, voordat God hem kon terugsturen. Dit geldt ook voor deze tijd.

Maar wat is er in onze tijd aan de hand? Hele menigten doen tekenen, zodat we een geslacht van wonderzoekers hebben gekregen dat weinig of niets van het Woord of van een echte beweging van Gods Geest afweet. Als ze bloed, olie en vuur zien zijn ze blij; het kan hun niet schelen wat er in het Woord staat. Ze zullen hun bijval schenken aan elk teken, zelfs de onschriftuurlijke. Maar God heeft ons hiervoor gewaarschuwd! Hij heeft in Matthéüs 24:24 gezegd, dat in de laatste dagen de beide geesten zo dicht tot elkaar zouden komen, dat alléén de waarlijk uitverkorenen ze van elkaar kunnen onderscheiden, want zij alleen zouden niet verleid worden.

Hoe kunt u die geesten van elkaar onderscheiden? Beproef ze slechts op het Woord! Als ze dat Woord niet spreken, zijn ze uit de boze. Zoals de boze de eerste twee bruiden verleidde, zo zal hij ook proberen de bruid van deze laatste dagen te verleiden door haar te doen bastaarden door geloofsbelijdenissen of enkel door haar van het Woord te doen afdwalen naar elk teken dat haar goed voorkomt. Maar God heeft nooit tekenen voor het Woord uit geplaatst. Tekenen volgen juist het Woord, zoals het was toen Elia de vrouw vroeg eerst een koek voor hem te bakken, overeenkomstig het Woord van de Heer. Toen ze deed naar wat het Woord zei, volgde het eigenlijke teken. Kom eerst tot het Woord en let dan op het wonder. Het Zaad-Woord wordt door de Geest bezield.

Hoe kan een boodschapper van God ooit slechts een deel van het Woord geloven en er een ander deel van verloochenen? De echte profeet Gods in deze laatste dagen zal het gehele Woord verkondigen. Hij zal door de denominaties gehaat worden. Zijn woorden zullen misschien wel even hard en scherp zijn als die van Johannes de Doper, die hen adders noemde. Maar de uitverkorenen zullen luisteren en gereed zijn voor de opname. Het Koninklijke Zaad van Abraham, met een geloof als dat van Abraham, zal net als hij trouw blijven aan het Woord, want zij zijn tezamen uitverkoren.

Die boodschapper van de laatste dagen zal op de door God beschikte tijd verschijnen. Het is nu de eindtijd, zoals we allen weten, want Israël is in zijn eigen land teruggekeerd. Hij zal dus elk ogenblik moeten opkomen volgens Maleachi. Als we hem zien, zal hij toegewijd zijn aan het Woord. Hij zal worden aangewezen (aangeduid in het Woord, Openbaring 10:7) en God zal zijn bediening bevestigen. Hij zal de waarheid prediken als Elia en gereed zijn voor de confrontatie op de berg Sion.

Velen zullen hem verkeerd begrijpen, daar zij op een bepaalde wijze, die zij als de waarheid beschouwen, in de Schrift zijn onderwezen. Wanneer hij daartegen opkomt, zullen ze niet geloven. Zelfs zullen sommige echte dienaren des Woords de boodschapper verkeerd begrijpen, doordat er zoveel voor Gods waarheid werd uitgemaakt door bedriegers.

Maar deze profeet zal komen, en evenals de voorloper van de eerste komst uitriep: "Zie, het Lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt!" zo zal ook hij het ongetwijfeld uitroepen: "Zie het Lam Gods, dat komt in heerlijkheid!" Hij zal dit doen, want zoals Johannes de boodschapper der waarheid was voor de uitverkorenen, zo is ook deze de laatste boodschapper aan de uitverkorenen en aan de uit het Woord geboren bruid.

Christus prijst zijn gemeente

Openbaring 2:13:

Ik weet uw werken, en waar gij woont, namelijk waar de troon des Satans is, en gij houdt Mijn Naam, en hebt Mijn geloof niet verloochend, ook in die dagen, in welke Antipas, Mijn getrouwe getuige was, welke gedood is bij u, waar Satan woont.

"Ik weet uw werken."
Deze zelfde woorden worden gericht tot elk van de zeven boodschappers met betrekking tot het volk van God in ieder tijdperk. En daar deze tot de beide wijnstokken gericht worden (de ware en de valse) zullen zij vreugde en blijdschap geven in de harten van de ene groep mensen, maar schrik en beving in de harten der andere. Want al worden we uit genade gered, zonder de werken, echte verlossing zal werken voortbrengen, of daden die God behagen. I Johannes 3:7: "Kinderkens! Dat u niemand verleide. Die de rechtvaardigheid DOET, die is rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is." En als dit vers ook maar iets betekent, dan betekent het wel dat een mens IS wat hij DOET. Jakobus 3:11: "Welt ook een fontein uit een zelfde ader het zoet, en het bitter?" Romeinen 6:2: "Wij, die aan de zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in haar leven?" Matthéüs 12:33–35: "Of maakt de boom goed en zijn vrucht goed; of maakt de boom kwaad en zijn vrucht kwaad; want uit de vrucht wordt de boom gekend. Gij adderengebroedsels! hoe kunt gij goede dingen spreken, daar gij boos zijt? Want uit de overvloed des harten spreekt de mond. De goede mens brengt goede dingen voort uit de goede schat des harten, en de boze mens brengt boze dingen voort uit de boze schat." Als nu een mens geboren wordt uit het Woord (wedergeboren zijnde, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord Gods, I Petrus 1:23), zal hij het Woord voortbrengen. De vruchten of werken uit zijn leven zullen een voortbrengsel zijn van het soort zaad of leven dat in hem is. Zijn werken zullen daarom Schriftuurlijk zijn. O, wat zal deze waarheid een aanklacht worden tegen het tijdperk van Pergamus! Daar staat Hij, de Onvergelijkelijke, met in Zijn hand het tweesnijdend scherp zwaard, het Woord Gods. En dat Woord zal ons oordelen op de jongste dag. In feite worden we nu al door dat Woord geoordeeld, want het is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten (Hebreeën 4:12). Het brengt een scheiding aan tussen het vleselijke en het geestelijke. Het maakt ons tot levende brieven die door alle mensen gelezen en gekend kunnen worden tot verheerlijking van God.

"Ik weet uw werken." Als iemand vreest dat hij misschien God niet welgevallig zou zijn, laat hij dan het Woord vervullen. Als iemand zich afvraagt of hij die woorden: "Goed gedaan, gij getrouwe dienstknecht", zal horen, laat hij dan het Woord van God in zijn leven waarmaken en hij zal stellig die lof horen. Het Woord der waarheid was toen de toets; het is ook nu de toets. Er is geen andere maatstaf; er is geen ander richtsnoer. Zoals de wereld door één Christus Jezus geoordeeld zal worden, zo zal zij ook door het Woord geoordeeld worden. Als iemand wil weten hoe het er met hem voorstaat, laat hij dan doen naar wat Jakobus aanraadde: "Aanschouw uzelf in de spiegel van Gods Woord."

"Ik weet uw werken." Zoals Hij daar stond en hun leven onderzocht in het licht van de blauwdruk die Hij voor hen had neergelegd, moet het Hem zeer welgevallig geweest zijn, want zij, evenals de anderen die hun waren voorgegaan, verdroegen de vervolging van de onrechtvaardigen en bleven nochtans met vreugde de Heer aanhangen. En al was het soms moeilijk de Heer te dienen, zij dienden Hem toch en vereerden Hem in Geest en waarheid. Maar dit was niet het geval met de valse wijnstok. Helaas, zij hadden het leven dat op het Woord gebouwd is, afgewezen en dwaalden nu steeds verder van de waarheid af. Hun werken getuigden er van hoe diep zij gezonken waren.

Gij houdt vast aan Mijn Naam

"Tot wie zullen wij heengaan? Gij alleen hebt de woorden van eeuwig leven!" Zij hielden er toen aan vast; zij houden er nu aan vast, doch niet met de fatalistische vrees van hen, die een dor leven leiden. Zij hielden vast in Zijn kracht, in de zekerheid van de Geest dat ze één met Hem waren. Zij hadden de zekere wetenschap van de vergeving van hun zonden en zij droegen de naam "Christenen" als een getuigenis daarvan. Zij kenden die Naam en zij hadden hem lief boven alle naam. Hun knieën hadden zich voor die Naam gebogen. Hun tongen hadden Hem beleden. En wat zij ook deden, ze deden het alles in de Naam van de Here Jezus Christus. Zij hadden die Naam genoemd en waren geweken van het kwade, en nadat ze hun positie hadden bepaald, waren ze bereid voor die Naam te sterven, daar ze zeker waren van een betere opstanding.

Neem de Naam van Jezus mede

Kind van kommer, zorg en smart;

Hij vertroost en geeft u vrede.

Neem hem mee in mond en hart.

Dierb're Naam, O hoe zoet,

Hoop der aard en 's hemels vreugd.

Reeds in de tweede eeuw hadden die woorden "Vader, Zoon en Heilige Geest" voor velen de betekenis gekregen van "Drieëenheid", en het polytheïstische denkbeeld van drie goden werd tot een leerstuk verheven in de valse kerk. Het zou niet lang duren of de Naam was weggenomen – zoals in dit tijdperk inderdaad gebeurd is – en in de plaats daarvan zouden titels van de ENE GROTE GOD de NAAM, Here Jezus Christus, vervangen. Terwijl de massa afvallig werd, en een drieëenheidsgedachte omhelsde en doopte met gebruikmaking van de titels van de Godheid, doopte het kleine kuddeke nog steeds in de Naam van Jezus Christus en zo hield het vast aan de waarheid.

Als zovelen God onteren doordat ze Hem in drie goden veranderen en Zijn dierbare Naam vervangen door titels, zou iemand zich misschien kunnen afvragen of de wonderen en tekenen die zo'n grote Naam vergezellen nog onder de mensen te vinden zouden zijn. Inderdaad kwamen die tekenen op machtige en wonderbare wijze tot uiting, al was dat zeker niet het geval bij de valse wijnstok. Mensen als Martinus werden op machtige wijze gebruikt en God gaf getuigenis aan hen door wonderen en tekenen en gaven van de Heilige Geest. Die Naam was nog steeds krachtig zoals hij altijd is geweest en ook altijd zal zijn waar heiligen Hem eren door het Woord en door het geloof.

Gij hebt Mijn geloof niet verloochend

In Handelingen 3:16, toen Petrus gevraagd werd hoe het machtige wonder plaatsgevonden had bij de lamme man aan de Schone Poort, legde hij het als volgt uit: "En door het geloof in Zijn Naam (Jezus) heeft Zijn Naam deze (die kreupel geweest was) gesterkt, die gij ziet en kent; en het geloof, dat door Hem is, heeft hem deze volmaakte gezondheid gegeven, in uw aller tegenwoordigheid." Kijk, daar heeft u het. Het wonder werd tot stand gebracht door de Naam van Jezus en door het geloof van Jezus. Petrus beweerde niet, dat het was door zijn eigen menselijk geloof en evenmin beweerde hij dat het was door zijn eigen naam. Hij zei, dat de Naam van Jezus, gebezigd in het geloof, dat van Jezus is, dat grote werk tot stand bracht. Dit is het geloof waar de Heer over spreekt in Openbaring 2:13. Het was ZIJN geloof. Het was niet het geloof IN Hem, maar het was ZIJN EIGEN GELOOF, dat Hij aan de gelovigen gegeven had. Romeinen 12:3b: "Zoals God een ieder de mate des geloofs (toe) gedeeld heeft." (volgens vers 1 is hier sprake van BROEDERS). Efeze 2:8: "Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat (geloof) niet uit u, het is Gods gave." Verder staat er in Jakobus 2:1 desgelijks: "Mijn broeders (let erop dat hij ook tot BROEDERS spreekt!), hebt niet het geloof van (niet in) onze Here Jezus Christus, de Here der heerlijkheid, met aanneming des persoons."

In dit tijdperk van Pergamus, waar de verlossing vermenselijkt werd en men zich van de waarheid had afgekeerd dat "het heil des Heren is" – waarin men de leer der uitverkiezing opzij geschoven had en de deuren der gemeente en de gemeenschap daarvan wagenwijd openzette voor iedereen die haar leerstukken onderschreef (zonder zich aan het Woord te storen) – in dit tijdperk van snelle achteruitgang, waren er nog steeds enkelen die de mate van dat geloof van onze Here Jezus Christus bezaten en die niet alleen dat geloof toepasten door werken van kracht, maar ook diegenen weerstonden, die het waagden te zeggen dat zij gered waren alleen maar omdat ze lid waren van een kerk. Zij wisten dat geen mens waarlijk zou kunnen geloven ten eeuwigen leven en tot de rechtvaardigheid Gods buiten de mate des geloofs van de Here Jezus Zelf. En zoals de tegenwoordige kerk vol zit met verstandelijke gelovigen, die de maagdelijke geboorte en het vergoten bloed onderschrijven, die naar de kerk gaan en deelnemen aan het avondmaal en helemaal niet wedergeboren zijn, zo deed zich in dit derde tijdperk hetzelfde probleem voor. Menselijk geloof was toen niet genoeg, en ook nu is het niet genoeg. Het echte geloof van de Zoon Gods moet in een mensenhart komen, opdat hij de Here der heerlijkheid kan ontvangen in de tempel welke niet met handen gemaakt is.

Dit was een levend geloof. "Ik leef uit het geloof van de Zoon Gods." Paulus zei niet dat hij leefde uit het geloof IN de Zoon Gods. Het was het geloof VAN de Zoon Gods, dat hem het leven gegeven had en hem staande hield als overwinnaar in Christus.

Nee, zij hadden niet geloochend dat de verlossing van begin tot eind bovennatuurlijk was. Zij hielden de waarheid van Zijn Naam en Zijn geloof levend en werden door de Heer gezegend en Hem waardig gekeurd.

Antipas, Mijn getrouwe getuige

Er bestaat geen andere vermelding in het Woord of in de ongewijde geschiedenis van deze broeder. Maar dat is ook niet nodig. Het is meer dan genoeg, dat hij tevoren gekend werd en gekend was door de Heer. Het is meer dan genoeg als we zijn getrouwheid voor de Heer in het levende Woord vermeld zien staan. Hij was een Christen. Hij bezat de Naam van Jezus. Hij bezat het geloof van onze Here Jezus Christus en behoorde tot degenen die er uit lééfden. Hij had gehoor gegeven aan de woorden uit Jakobus: "Hebt niet het geloof van onze Here Jezus Christus, met aanneming des persoons." Vol van de Heilige Geest en van geloof – evenals Stefanus – zag hij niemand naar de ogen, vreesde hij voor niemand; en toen de doodstraf aangekondigd werd over allen die de Naam zouden aannemen en in het geloof van Jezus Christus zouden wandelen, hield hij stand met degenen die niet wilden terugkeren. Ja, hij stierf, maar hij kreeg net als Abel een getuigenis van God (zijn naam staat geschreven in het Woord), en al is hij dood, toch spreekt zijn stem nog steeds in de bladeren van Gods Goddelijke Getuigenis. Opnieuw werd een getrouwe getuige in zijn rust binnengeleid. Maar Satan triomfeerde toen niet, net zo min als toen hij de Vredevorst doodde, want zoals Satan aan het kruis werd beroofd, zo zal ook nu het bloed van Antipas het uitroepen tot honderden anderen, die hun kruis zullen opnemen en Hem volgen.

Waar de troon des satans is

Dit stuk is daarom een deel van de lofspraak van de Geest, omdat deze dappere soldaten van het kruis, Satan precies midden in zijn eigen troonzaal overwonnen. Zij zegevierden in de strijd door de Naam en het geloof van Jezus; juist midden in het kamp van de leiders der duisternis. Wat een geweldige lof is dit! Zoals de machtige mannen van David die het kamp van de vijand binnen drongen om David dorstlessend water te geven, zo drongen deze geloofsreuzen het rijk van Satans aardse bolwerk binnen en brachten door prediking en vermaning het water des heils aan degenen die in de schaduw des doods leefden. Evenzeer als deze woorden over de troon en het rijk des Satans een deel vormen van Gods lof voor Zijn uitverkorenen, vormen ze feitelijk de achtergrond voor de onthulling van het kwaad dat oppermachtig was geworden in de kerk.

PERGAMUS: De troon en woonplaats des Satans. Voor velen zijn deze uitdrukkingen enkel in figuurlijke zin bedoeld, niet in werkelijk historische. Maar ze zijn wel degelijk werkelijk en de geschiedenis bevestigt dit. Pergamus was inderdaad de troon en de woonplaats des Satans. Het geschiedde aldus:

Pergamus was oorspronkelijk niet de plaats waar de Satan (voor zover het menselijke aangelegenheden betreft) woonde. Babylon is altijd letterlijk en figuurlijk zijn hoofdkwartier geweest. In de stad Babylon vond de Satanische eredienst haar oorsprong. Genesis 10:8–10: "En Kusch gewon Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde. Hij was een geweldig jager voor het aangezicht des HEREN; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht des HEREN. En het begin van zijn rijk was Babel, en Erech, en Akkad, en Kalné in het land Sinear." Genesis 11:1–9: "En de ganse aarde was van enerlei spraak en enerlei woorden. Maar het geschiedde, toen zij naar het oosten trokken, dat zij een laagte vonden in het land Sinear; en zij woonden aldaar. En zij zeiden een ieder tot zijn naaste: Kom aan, laat ons tichelen strijken, en goed doorbranden! En de tichel was hun voor steen, en het lijm was hun voor leem. En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, welks opperste in de hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de ganse aarde verstrooid worden! Toen kwam de HERE neer, om te bezien de stad en de toren, die de kinderen der mensen bouwden. En de HERE zeide: Ziet, zij zijn enerlei volk, en hebben allen enerlei spraak; en dit is het, wat zij beginnen te maken; maar nu, zou hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken? Kom aan, laat Ons neervaren, en laat Ons hun spraak aldaar verwarren, opdat een ieder de spraak van zijn naaste niet hore. Alzo verstrooide hen de HERE van daar over de ganse aarde; en zij hielden op de stad te bouwen. Daarom noemde men haar naam Babel; want aldaar verwarde de HERE de spraak der ganse aarde, en van daar verstrooide hen de HERE over de ganse aarde."

De oorspronkelijke naam voor Babylon luidt Babel. Zij betekent "verwarring". Deze "verwarring" (Babel) werd letterlijk gesticht door Kusch, de zoon van Cham, maar werd tot een koninkrijk van macht en grootheid gebracht onder diens zoon, Nimrod, de geweldige jager. Nimrod wilde volgens het verhaal in Genesis 11, en ook volgens de ongewijde geschiedenis, drie dingen volbrengen: Hij wilde een sterke natie opbouwen, en hij deed het. Hij wilde zijn eigen godsdienst propageren, en hij deed het. Hij wilde zich een naam maken, waar hij ook in slaagde. Wat hij tot stand bracht was zo kolossaal, dat het koninkrijk Babylon het gouden hoofd uit alle wereldrijken genoemd werd. Dat zijn godsdienst boven de andere uitstak, wordt bewezen door het feit dat de Schrift haar geheel vereenzelvigt met de Satan in Jesaja 14 en in Openbaring 17 en 18. En met behulp van de geschiedenis kunnen wij bewijzen, dat zij in de gehele wereld doordrong en de basis vormt voor elk stelsel van afgodendienst, en voor het thema van de mythologie, al verschillen de namen der goden in de verschillende landstreken naar gelang van de taal van het volk. Dat hij voor zichzelf en voor zijn volgelingen een naam maakte, spreekt vanzelf, want zolang deze eeuw duurt (totdat Jezus Zich aan Zijn broeders bekend maakt) zal hij aanbeden en vereerd worden, al is het onder een andere naam dan Nimrod, en in een tempel die enigszins verschilt van degeen waarin hij oorspronkelijk vereerd werd.

Aangezien de Bijbel niet in details treedt als het gaat om de geschiedenis van andere volkeren, zal het nodig zijn, de oude ongewijde annalen te onderzoeken teneinde ons antwoord te vinden op de vraag, hoe Pergamus de troon van de Satanische godsdienst van Babylon kon worden. De voornaamste bronnen van informatie zullen de geschriften van de Egyptische en Griekse beschaving vormen. De reden hiervoor is, dat Egypte haar wetenschap en haar wiskunde ontleende aan de Chaldeeën en Griekenland op haar beurt aan Egypte. Aangezien nu de priesters belast waren met het onderricht in deze wetenschappen, en aangezien deze wetenschappen werden gebruikt als een onderdeel van de godsdienst, kennen we nu reeds de sleutel tot de oplossing van de vraag, hoe de Babylonische godsdienst zo machtig werd in deze landen. Het is ook waar, dat telkens wanneer een volk in staat was een ander volk te overwinnen, de godsdienst van de onderdrukker in de loop van de tijd de godsdienst werd van de onderdrukte. Het is bekend dat de Grieken precies dezelfde tekens van de dierenriem hadden als de Babyloniërs; en men heeft in de oude Egyptische geschriften gevonden, dat de Egyptenaren aan de Grieken hun kennis van het polytheïsme doorgaven. En zo verspreidden zich de mysteriën van Babylon van volk tot volk, totdat ze opdoken in Rome, in China, India en zelfs in Noord en Zuid Amerika vinden we fundamenteel precies dezelfde verering.

De oude geschiedenissen stemmen overeen met de Bijbel, dat deze Babylonische godsdienst heel zeker niet de oorspronkelijke godsdienst van de oude volkeren der aarde is geweest. Hij dreef als eerste van het oorspronkelijk geloof af, maar het was zelf niet de oorspronkelijke godsdienst. Geschiedkundigen, zoals Wilkinson en Mallett, hebben uit oude documenten afdoende bewezen, dat er een tijd is geweest dat alle volkeren der aarde in ÉÉN GOD geloofden, Die oppermachtig, eeuwig en onzichtbaar was en Die alle dingen tot aanzijn riep door het Woord, dat uit Zijn mond voortkwam. Hij was liefhebbend, goed en rechtvaardig van nature. Maar omdat de Satan alles zal bederven wat hij kan, zien we, dat hij de gedachten en de harten der mensen bederft, zodat deze de waarheid verwerpen. Zoals hij er altijd op uit was, vereerd te worden, alsof hij God was en niet de dienstknecht en de schepping van God, trok hij de verering van God af, zodat hij deze op zichzelf zou kunnen richten en aldus verhoogd zou worden. Hij slaagde er in zijn verlangen te verwezenlijken om zijn godsdienst over de gehele wereld te verspreiden. Dit wordt gestaafd door God in de brief aan de Romeinen: "Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden; waardoor zij een bedorven godsdienst aanvaardden, zodat zij schepsels vereerden en niet de Schepper." Denk eraan, Satan was een schepsel Gods (de Zoon des Dageraads). We zien aldus, dat, waar eens de waarheid onder de mensen verbreid was, en allen aan die ene waarheid vasthielden, er later een dag aanbrak, waarop een aanzienlijke groep zich van God afwendde en een duivelse vorm van verering over de wereld ging verspreiden. De geschiedenis bevestigt, dat degenen uit de stam Sem, die achter de onveranderlijke waarheid stonden, zich fel tegen degenen uit de stam Cham verzetten, die zich van de waarheid hadden afgewend tot de leugen van de duivel. Er is geen tijd om hierover te gaan discussiëren; ik vermeld het alleen opdat u kunt inzien dat er slechts twee – en niet meer – godsdiensten zijn geweest en dat de slechte over de gehele wereld verbreid raakte.

Het monotheïsme werd in Babylon in het polytheïsme veranderd. De leugens en de mysteriën des duivels kwamen in opstand tegen de waarheid van God en de mysteriën Gods in die stad. Satan werd waarlijk de god dezer wereld en eiste verering van degenen, die hij bedrogen had door hen te laten geloven, dat hij werkelijk de Heer was.

De polytheïstische godsdienst van de vijand is begonnen met de drieëenheidsleer. Het was ver terug in de oudheid dat de idee van "één God in drie personen" ontstond. Wat is het merkwaardig, dat onze moderne theologen dit niet ontdekt hebben, maar klaarblijkelijk – al evenzeer bedrogen door de Satan als hun voorvaderen – geloven ze nog steeds in de idee van drie personen in de Godheid. Laten ze ons slechts één tekst wijzen in de Schrift, die enig gezag verleent aan die leer. Is het niet merkwaardig dat, terwijl de nakomelingen van Cham hun Satanische eredienst, die gebaseerd was op de idee van de drie goden, voortzetten er niets is dat er op duidt dat de nakomelingen van Sem zoiets geloofden of er enige ceremoniële eredienst op nahielden die ook maar slechts een type daarvan inhield?

Is het niet merkwaardig, dat de Hebreeën geloofden: "Hoor, Israël! de HERE, onze God, is een ENIG HERE!" indien er drie personen in de Godheid waren? Abraham, de nakomeling van Sem, zag in Genesis 18 slechts ÉÉN God met twee engelen.

Hoe werd deze drieëenheid uitgebeeld? Ze werd uitgebeeld in een gelijkzijdige driehoek, net zoals ze tegenwoordig in Rome uitgebeeld wordt. Merkwaardig, dat de Hebreeën zulk een voorstelling niet kenden. Wie heeft er nu gelijk? De Hebreeën of de Babyloniërs? In Azië kwam de polytheïstische idee van drie goden tot uitdrukking in een beeld met drie hoofden op één lichaam. Hij wordt uitgebeeld als drie intelligenties. In India kwam het in hun hart op, Hem voor te stellen als één God in drie gedaanten. En dat is nu werkelijk terdege de moderne theologie van tegenwoordig! In Japan bevindt zich een groot Boeddha beeld met drie hoofden, zoals we dat zoëven beschreven. Maar het meest onthullende van alle is het beeld dat het drieëenheidsbegrip van God voorstelt in een drieënige gedaante van: 1. Het hoofd van een oud man, voorstellend God de Vader; 2. Een cirkel die in de mysteriën "Zaad" betekende, hetgeen op zijn beurt de Zoon voorstelt; 3. De vleugels en de staart van een vogel (de duif). Hier was de leer van de Vader, Zoon en Heilige Geest, drie personen in de Godheid, een echte drieëenheid. U kunt hetzelfde zien in Rome. Mag ik nu opnieuw vragen: Is het niet merkwaardig, dat de duivel en zijn vereerders in feite meer van de waarheid geopenbaard kregen dan de vader des geloofs (Abraham) en zijn nakomelingen? Dat is nu wat de moderne theologen ons proberen wijs te maken als ze het over een drieëenheid hebben. Herinner u slechts dit ene van nu af aan: wat ik hier vermeld zijn feiten en het is ook een feit dat de Satan een leugenaar is en de vader der leugens, en wanneer hij ook komt met wat voor licht ook, het is en blijft nog steeds een leugen. Hij is een moordenaar. En zijn leer over de drieëenheid heeft hele menigten doen omkomen en zal voortgaan de mensen te verderven, totdat Jezus komt.

Volgens de geschiedenis was er niet veel tijd voor nodig om een verandering te brengen in deze voorstelling van een Vader en een Zoon en de Heilige Geest. Satan voerde de mensen stap voor stap van de waarheid af. De voorstelling van de Godheid, die hieruit ontstond was deze: 1. De eeuwige Vader; 2. De Geest van God, vleesgeworden in een MENSELIJKE moeder (brengt dat u aan het denken?); 3. Een goddelijke Zoon, de vrucht van die vleeswording (het vrouwenzaad).

Maar de duivel is niet tevreden. Hij heeft nog geen verering voor zichzelf bereikt dan op een indirecte wijze. Dus laat hij de mensen nog verder afdwalen van de waarheid. Door zijn mysteriën openbaart hij de mensen dat, aangezien de grote onzichtbare Vader God Zich niet bemoeit met de aangelegenheden der mensen, maar Zich ten opzichte van hen stil houdt, Hij mitsdien wel in stilte aanbeden kan worden: in werkelijkheid betekent het, Hem zoveel mogelijk of helemaal te negeren. Deze leer verspreidde zich ook over de wereld en vandaag aan de dag kunt u zien, dat in India de tempels voor de grote Schepper, de zwijgende God, opvallend weinig in aantal zijn.

Daar het niet nodig was, dat men de Schepper-Vader aanbad, was het slechts een vanzelfsprekende zaak dat de verering oversloeg naar de "Moeder en het Kind" die als voorwerpen van verering gingen gelden. In Egypte kende men dezelfde combinatie van moeder en zoon onder de naam Isis en Osiris. In India was het Isi en Iswara (merk op dat zelfs de namen met elkaar overeenkomen!) In Azië was het Cybele en Deoius. In Rome en Griekenland volgde men het voorbeeld. Wel, stel u de verbazing voor van sommige Rooms-katholieke missionarissen toen zij in China kwamen en er een madonna met kind aantroffen met lichtstralen die uit het hoofd van de baby schenen. Het beeld zou zeer goed geruild kunnen worden voor één in het Vaticaan, afgezien dan van het verschil in bepaalde gelaatstrekken.

Nu betaamt het ons de oorspronkelijke "moeder en kind" te ontdekken. De oorspronkelijke godin-moeder van Babylon was Semiramis, die in de oosterse landen Rhea genoemd werd. In haar armen hield ze een zoon, die, ofschoon een baby, beschreven werd als groot, sterk, schoon, en vooral bekoorlijk voor de vrouwen. In Ezechiël 8:14 werd hij Tammuz genoemd. Bij de klassieke schrijvers heette hij Bacchus. Voor de Babyloniërs was hij Ninus. Het feit, dat hij wordt voorgesteld als een baby in de moederarmen en toch beschreven wordt als een groot en machtig man, vindt zijn verklaring in het feit dat hij bekend staat als de "Echtgenoot–Zoon". Eén van zijn titels was "Echtgenoot van de Moeder", en in India, waar beiden bekend staan als Iswara en Isi, wordt hij (de echtgenoot) voorgesteld als de baby aan de borst van zijn eigen vrouw.

Dat deze Ninus de Nimrod uit de Bijbel is kunnen we bevestigen door de geschiedenis te vergelijken met het verhaal uit Genesis. Pompejus heeft gezegd: "Ninus, koning van Assyrië, veranderde de oude gematigde levenswijze door de zucht tot verovering. HIJ WAS DE EERSTE, DIE OORLOG TEGEN ZIJN BUURLANDEN VOERDE. Hij overwon alle landen van Assyrië tot Lybië daar deze niet bedreven waren in het oorlogvoeren." Diodorus zegt: "Ninus was de oudste van de Assyrische koningen, die in de geschiedenis vermeld worden. Daar hij oorlogszuchtig van aard was, oefende hij vele jonge mannen op strenge wijze in de kunst van het oorlogvoeren. Hij onderwierp Babylonië toen er nog geen stad Babylon bestond." Zo zien we, dat Ninus groot begon te worden in Babylon, dat hij Babel bouwde en de macht overnam in Assyrië door er koning van te worden, en vervolgens voortging met het opslokken van andere uitgestrekte gebieden, waar de mensen inzake de oorlog onbedreven waren en een gematigde levenswijze kenden, zoals Pompejus gezegd heeft. Nu staat er in Genesis 10, waar over het koninkrijk van Nimrod gesproken wordt: "En het beginsel van zijn rijk was Babel, en Erech, en Akkad, en Kalne in het land Sinear. Uit dit land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Ninevé, en Kalah, enzovoort." Maar de vertalers maakten een fout, doordat ze Assur als een zelfstandig naamwoord vertaalden – want het is een werkwoord en het betekent in het Chaldeeuws "sterk (krachtig) maken". Aldus is het Nimrod, die, toen hij sterk geworden was (hij vestigde zijn koninkrijk door 's werelds eerste leger op te bouwen, dat hij geoefend had door het te drillen en te onderwerpen aan de ontberingen van de jacht), met zijn sterk leger voorbij Sinear trok, volkeren onderwierp en steden bouwde als Ninevé, dat naar hem werd genoemd; en zelfs tegenwoordig wordt een aanzienlijk deel van de ruïnes dier stad "Nimrod" genoemd!

Daar we ontdekt hebben, wie Ninus was, is het nu nodig te ontdekken wie zijn vader was. Volgens de geschiedenis was het Bel, de stichter van Babylon. (Nu moet hier worden opgemerkt, dat Bel haar stichtte in die zin, dat hij deze hele beweging begonnen is, maar dat het zijn zoon was, Ninus, die Babylon grondvestte en die de eerste koning was, enzovoort.) Maar volgens de Schrift was de vader van Nimrod Kusch: "En Kusch gewon Nimrod." Maar niet alleen is dit juist, we bemerken ook, dat Cham Kusch verwerkte. Nu werd in de Egyptische beschaving Bel genoemd: Hermes, en de naam Hermes betekent: "DE ZOON VAN CHAM". Volgens de geschiedenis was Hermes de grote profeet van de afgodendienst. Hij was de vertolker der goden. Hij werd ook wel genoemd Mercurius. (Lees Handelingen 14:11–12).

Hyginus zegt over die god, die afwisselend bekend stond als Bel, Hermes, Mercurius enzovoort, het volgende: "Vele eeuwen lang leefden de mensen onder het bestuur van Jupiter (niet de Romeinse Jupiter, maar Jehova der Hebreeën, die eerder dan de Romeinse geschiedenis optreedt) zonder steden en zonder wetten, terwijl ze allen dezelfde taal spraken. Maar nadat Mercurius (Bel, Kusch) de spraken der mensen vertolkte (vandaar dat een tolk Hermeneutes genoemd wordt), verdeelde deze zelfde figuur de naties. Toen begon de tweedracht." Hieruit kunnen we zien dat Bel of Kusch, de vader van Nimrod, oorspronkelijk de vermaarde leider was, die de mensen deed afdwalen van de ware God en hen als de "vertolker der goden" ertoe aanmoedigde een andere vorm van godsdienst aan te nemen. Hij moedigde hen aan, verder te gaan met de toren van Babel, die zijn zoon metterdaad bouwde. Deze aanmoediging bracht de verwarring en de verdeeldheid onder de mensen, en zo was hij dus zowel "vertolker" als "degene die verwarring teweegbrengt."

Kusch was bovendien de vader van het polytheïstische stelsel en toen mensen door mensen vergoddelijkt werden, werd hij natuurlijk de vader der goden. Nu werd Kusch, Bel genoemd. En Bel was in de Romeinse mythologie Janus. Hij wordt uitgebeeld met twee gezichten en hij droeg een knots, waarmee hij de mensen verwarde en "verstrooide". Volgens Ovidius zei Janus van zichzelf: "De Ouden noemden mij Chaos." Wie zien dus, dat de Kusch uit de Bijbel, de oorspronkelijke rebel tegen het monotheïsme, Bel, Belus, Hermes, Janus enzovoort genoemd werd onder de oude volkeren. Hij beweerde openbaringen en uitleggingen van de goden aan de mensen door te geven. Daardoor werd hij er de oorzaak van, dat de toorn Gods de mensen verstrooide, zodat er verdeeldheid en verwarring ontstond.

Tot dusver hebben wij gezien, waar het polytheïsme of veelgodendom vandaan kwam. Maar is het u opgevallen, dat we ook een vermelding vonden van iemand genaamd Kusch, die de titel "de vader der goden" kreeg? Merkte u hier het thema van de mythologieën der oudheid op, dat de goden zich vereenzelvigen met mensen? Daar komt de voorouderverering vandaan. We zouden er dus mee kunnen volstaan in de geschiedenis een onderzoek naar de voorouderverering in te stellen. Wel, er is komen vast te staan, dat Kusch de verering van drie goden invoerde, van vader, zoon en geest. Drie goden, die alle drie gelijk waren. Maar hij wist van het komende vrouwezaad, daarom moest er een vrouw en haar zaad bij betrokken worden. Dit kon geschieden toen Nimrod stierf. Zijn vrouw, Semiramis, vergoddelijkte hem en maakte zich aldus tot de moeder van de zoon en ook de moeder van de goden. (Net zoals de Roomse kerk Maria vergoddelijkt heeft. Zij zegt dat zij (namelijk Maria) zonder zonde was en dat ze de Moeder Gods was). Zij (Semiramis) noemde Nimrod "Zeroaschta", hetgeen betekent: "het beloofde zaad der vrouw."

Maar het duurde niet zo erg lang, of de vrouw begon meer aandacht te trekken dan de zoon, en spoedig was zij het, die werd afgebeeld terwijl ze de slang onder haar voeten vertrad. Ze werd de "koningin des hemels" genoemd en tot goddelijke staat verheven. Hoe lijkt dit alles op wat er tegenwoordig plaatsvindt, nu Maria, de moeder van Jezus, is verheven tot onsterfelijkheid en juist nu, in september 1964 poogt het Vaticaans Concilie aan Maria een kwaliteit toe te kennen die zij niet bezit, want men zou haar willen noemen "Maria de Middelares", "Maria de Moeder Aller Gelovigen" of "Moeder der Kerk". Als er ooit in een godsdienst een Babylonische voorouderverering voorkwam, dan is het in de godsdienst van de kerk van Rome.

Niet alleen de voorouderverering vond zijn oorsprong in Babylon, maar ook de verering van de natuur. Het was in Babylon dat de goden vereenzelvigd werden met de zon en de maan, enzovoort. Het hoofdonderwerp in de natuur was de zon, die de eigenschap heeft, dat zij licht en warmte geeft, en die zich aan de mens vertoont als een vuurbal in de hemelen. Zo zou de hoofdgod de zonnegod zijn, die Baäl genoemd werd. Dikwijls werd de zon afgebeeld als een vlammende cirkel, spoedig verscheen er rondom die vlam een slang. Het duurde niet lang, of de slang werd een symbool van de zon en dientengevolge werd de slang vereerd. Zo werd het verlangen van Satans hart geheel vervuld. Hij werd als God vereerd. Zijn troon was gevestigd. Zijn slaven bogen zich voor hem. Daar in Pergamus werd hij vereerd in de gedaante van een levende slang; niet slechts had deze Eva verleid, maar ook de meerderheid van het mensdom.

Maar hoe werd Pergamus de troon des Satans, als Babylon de troon was? Het antwoord is weer te vinden in de geschiedenis. Toen Babylon ten val kwam en in handen viel der Meden en Perzen, ontvluchtte de priester-koning Attalus de stad en ging hij naar Pergamus met zijn priesters en heilige mysteriën. Daar stichtte hij zijn koninkrijk buiten het Romeinse keizerrijk, en hij was voorspoedig onder de zorg van de duivel.

Dit is een zeer korte samenvatting van de geschiedenis van de Babylonische godsdienst geweest en van zijn komst naar Pergamus. Ongetwijfeld zijn er vele vragen onbeantwoord gebleven en er zou vast en zeker veel meer over gezegd kunnen worden teneinde ons inzicht te verhelderen maar dit is niet bedoeld als een studie van de geschiedenis, maar eerder als een hulpmiddel bij de bestudering van het Woord.

De aanklacht

Openbaring 2:14–15:

Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat gij aldaar hebt, die de lering van Bileam houden, die Balak leerde de kinderen Israëls een aanstoot voor te werpen, opdat zij afgodenoffer zouden eten en hoereren.

Alzo hebt ook gij, die de lering der Nikolaïeten houden; hetwelk Ik haat.

In dit tijdperk van Pergamus veroordeelt de Heer twee leringen, die Hij haat: 1. De leer van Bileam, die afgoderij en zondige uitspattingen aan Israël bracht te Baäl-Peor en 2. De leer der Nikolaïeten, die in het tijdperk van Efeze nog slechts werken geweest waren. Combineer deze aanklacht met het feit, dat Hij er de nadruk op heeft gelegd, dat Pergamus de troon des Satans was, en het is heel gemakkelijk en juist als we de conclusie trekken, dat de geschiedenis van Babylon zich op de een of andere wijze heeft vermengd met die van het Christendom.

Nu, dit is niet maar een veronderstelling, maar een historisch feit; en wij zullen het bewijzen door terug te gaan in de geschiedenis tot ongeveer 36 na Christus en haar dan te volgen tot aan het Concilie van Nicéa in 325. Toen de Christenen (van geboorte hoofdzakelijk Joden) van Jeruzalem uit verstrooid werden over de aarde, gingen ze overal heen, predikende het Evangelie, vooral in de synagogen. Zo was binnen drie jaar, ofwel ongeveer in 36 na Christus, het Evangelie in Rome gebracht door Junius en Andronicus, die volgens Romeinen 16:7 apostelen waren. Het werk bloeide daar verscheidene jaren, totdat de voortdurende woordenstrijd onder de Joden, keizer Claudius aanleiding gaf, hen uit Rome te verdrijven. Toen de Joden uit die stad verbannen waren, was de ruggegraat van die kleine gemeente praktisch gebroken. Misschien waren zelfs de oudsten Joden geweest en waren ook die dus weg. De kudde bleef toen onverzorgd achter, en aangezien het Woord nog niet geschreven was en dus niet als gids kon dienen, zou deze kleine kudde heel gemakkelijk afdrijven of overspoeld worden door de filosofen en heidenen uit die dagen. Terwijl grimmige wolven rondom de kudde zwierven, en terwijl de geest van de antichrist losgebroken was, bemerken we uit de geschiedenis dat de kerk van Rome op hopeloze wijze terugviel, dat zij begon met het invoeren van heidense ceremoniën met Christelijke benamingen.

Daar de ballingschap dertien jaar duurde, kwamen Junius en Andronicus, de stichters, pas in 54 na Christus terug. Stel u hun ontzetting voor, toen ze een gemeente aantroffen onder Christelijke naam, die op bedroevende wijze heidens was. Er waren altaren in de kerk, waarop men wierook aanbracht en waarbij men heidense riten vierde. Met de gevestigde leiders van die kerk viel niet te praten, dus begonnen ze met de weinigen, die geprobeerd hadden trouw te blijven, een nieuwe gemeente, ofwel de tweede kerk van Rome. God werkte genadiglijk onder hen met tekenen en wonderen, zodat er een derde kerk ontstond. En ofschoon aan de eerste kerk verweten werd, dat zij heidens was en NIET Christelijk in haar eredienst, wilde zij van haar titel geen afstand doen, maar zij bleef, en BLIJFT NOG STEEDS, de eerste kerk van Rome – de Rooms-katholieke kerk.

Nu hebben de meesten onder ons de onjuiste gedachte, dat allen die zich Christenen noemen, het doelwit zouden zijn van de duivel en mitsdien het geweld van de regeringstirannie zouden ondervinden. Maar zo is het niet. Deze eerste kerk was tot bloei gekomen en het zielental had zich zozeer vermenigvuldigd, dat de keizers en verscheidene regeringsbeambten in werkelijkheid die kerk uit politieke overwegingen begunstigden. Toen de leiders van de eerste kerk van Rome bemerkten dat zij in een goed blaadje stonden, maakten zij dan ook van de gelegenheid gebruik om de regering tegen de ware gelovigen op te zetten en te eisen, dat zij vervolgd zouden worden, tenzij ze tot haar schaapskooi toetraden. Een van die bisschoppen van de eerste kerk van Rome was Anicetus, die in de tweede eeuw leefde en een tijdgenoot van Polycarpus was. Toen de eerbiedwaardige Polycarpus hoorde, dat de eerste Christelijke kerk van Rome in heidense ceremoniën opging en de waarheid van het Evangelie had verdorven, ging hij erheen om hen te smeken tot andere gedachten te komen. Hij zag, hoe zij zich bogen voor beelden, die naar apostelen en heiligen genoemd waren. Hij zag, hoe zij kaarsen aanstaken en wierook verbrandden op het altaar. Hij zag hen het Pascha vieren onder de naam van een lentefeest, waarin zij het schijfvormige brood ophieven ter ere van de zonnegod, en dan de wijn uitgoten als een plengoffer voor de goden. Maar deze bejaarde heilige, die zo'n 2400 km gereisd had, kon hun terugval niet stuiten. God sprak door hem juist toen hij wegging: "Efraïm is vergezeld met de afgoden; laat hem varen." Hoséa 4:17. Polycarpus is nooit meer teruggekeerd.

Anicetus werd als bisschop van Rome opgevolgd door de goddeloze Victor. Hij voerde zelfs nog meer heidense feesten en ceremoniën in de eerste kerk in, en ging rond in een uiterste inspanning om de ware Christelijke gemeenten ertoe over te halen, dezelfde ideeën over te nemen. Deze wilden niet doen wat hij vroeg, en daarom oefende hij zijn invloed uit bij regeringsbeambten teneinde de gelovigen te vervolgen; hij liet hen voor de gerechtshoven verschijnen, in de gevangenis werpen en zelfs velen ter dood brengen. Een dergelijk voorbeeld van zijn afschuwelijke daden treffen we aan in de geschiedenis, waar keizer Septimus Severus er door Callistus (de vriend van Victor) toe werd gebracht, om in Thessalonica 7000 mensen te doden, omdat deze ware gelovigen het Pascha vierden volgens de instelling van de Here Jezus Christus en niet volgens de eredienst van Astarte.

Reeds ontbrandde de valse wijnstok in toorn tegen de levende God doordat ze de uitverkorenen doodde, evenals de voorvader ervan, Kaïn, Abel gedood had.

De ware gemeente bleef doorgaan de eerste kerk er toe over te halen zich te bekeren. Maar zij wilde niet. Zij nam toe in omvang en invloed. Zij zette een nimmer aflatende campagne op om het ware zaad in diskrediet te brengen. Zij beweerden, dat zij, en zij alleen de ware vertegenwoordigers waren van de Here Jezus Christus, en zij beroemden zich er op, dat zij de oorspronkelijke kerk van Rome waren, en dat zij alleen de eerste kerk waren. Inderdaad waren zij De Eerste Kerk, en INDERDAAD ZIJN ZIJ HET.

Zodoende hebben we in dit derde tijdperk twee kerken, die dezelfde naam dragen, maar waartussen een bittere tegenstelling bestaat. De ene heeft de waarheid verlaten, zich gekoppeld aan de afgoden en ze heeft geen leven in zich. Zij is een bastaard geworden en de tekenen des doods, niet die des levens, volgen haar. Zij is machtig en heeft vele leden. Ze geniet de gunst van de wereld. De andere is een kleine vervolgde groep mensen. Maar zij volgt het Woord na, en de tekenen volgen haar. De zieken worden genezen en de doden worden opgewekt. Zij leeft met het Leven en Woord van God. Zij heeft haar leven niet lief, maar houdt vast aan Zijn Naam en aan Zijn geloof, zelfs tot in de dood.

En zo overviel de vreselijke vervolging van het officiële Rome de ware gelovigen, tot Constantijn opstond en vrijheid van eredienst verleende. Er schijnen twee redenen te zijn, waarom deze vrijheid werd verleend. In de eerste plaats waren er verscheidene goede keizers geweest, die geen vervolging hadden toegestaan; maar zij werden opgevolgd door degenen, die de Christenen doodden. Het was zo zinloos, dat tenslotte het publiek begon te beseffen, dat de Christenen met rust gelaten moesten worden. De tweede en meest bekende reden is, dat Constantijn een moeilijke slag te leveren had om de macht over het keizerrijk in handen te krijgen. Op een nacht zag hij in een droom een wit kruis voor zich verschijnen. Hij beschouwde dit als een teken voor hem dat, als de Christenen baden voor een overwinning voor hem, hij de slag zou winnen. Hij beloofde vrijheid voor hen in het geval dat hij als overwinnaar uit het strijdperk zou treden. En inderdaad, hij won de strijd en de vrijheid van eredienst werd verleend in het edict van Nantes, 312 na Christus.

Maar deze vrijheid van vervolging en dood was niet zo grootmoedig als zij eerst scheen. Constantijn was nu de beschermheer. Zijn belangstelling was echter wel wat groter dan die van een waarnemend beschermheer, want hij besliste, dat de kerk zijn hulp nodig had als het ging om kerkelijke aangelegenheden. Hij had gezien hoe men het oneens was over verschillende zaken, in één waarvan Arius, Bisschop van Alexandrië, betrokken was die zijn aanhangers leerde, dat Jezus niet werkelijk God was, maar een lager wezen, dat door God geschapen was. De Westerse Kerk had de tegenovergestelde mening; zij geloofde namelijk, dat Jezus het ware wezen van God was en, zoals ze zeiden, "medegelijk met de Vader". Met het oog op dergelijke dingen, en het binnendringen van heidense ceremoniën in de eredienst, riep de keizer het Concilie van Nicéa in 325 bijeen, met de gedachte, dat hij alle groeperingen bijeen zou brengen, zodat zij hun geschillen konden gladstrijken teneinde tot een gemeenschappelijk inzicht te komen en allen één zijn. Is het niet opvallend, dat, hoewel Constantijn hiermee begonnen is, dit principe niet bij Constantijn geëindigd is, maar dat het op het ogenblik springlevend is in de gedaante van de "Wereldraad van Kerken"? En waar hij er niet in slaagde het werkelijk te bereiken, zal het in onze dagen tot stand komen door middel van de oecumenische beweging.

Nu is deze inmenging van de staat in de gemeente een dwaas iets, want de wereld verstaat noch de waarheid, die gevonden wordt in het Woord, noch de wegen der gemeente. Wel, de beslissing, die het Concilie uitgaf, namelijk dat Arius ongelijk had, werd twee jaar later door de keizer in haar tegendeel veranderd, en vele jaren lang werd deze valse leer het volk aangesmeerd.

Maar dat kerk en staat samen zouden komen, wist de Heer waarlijk van tevoren. De naam zelf van dit tijdperk, Pergamus, betekent "hecht (in het huwelijk) verbonden". En inderdaad waren kerk en staat getrouwd; politiek en godsdienst werden verenigd. Wat uit deze vereniging is voortgesproten is altijd de meest afschuwelijke vorm van bastaard geweest die de wereld ooit aanschouwd heeft. De waarheid is in hen niet, maar al de boze wegen van Kaïn, de eerste bastaard, zijn er aan te treffen.

Niet alleen werden kerk en staat in dit tijdperk in de echt verbonden, maar de Babylonische godsdienst werd officieel samengevoegd met de eerste kerk. Satan had nu de toegang tot de Naam van Christus en hij werd in de eredienst als god op de troon verheven. Met staatssteun kregen de kerken mooie gebouwen, die versierd werden met altaren van wit marmer en beelden van de gestorven heiligen. En juist in deze eeuw is het, wanneer het "beest" (van Openbaring 13:3) dat een dodelijke wond had (het heidense Romeinse Rijk), weer tot leven en tot macht gekomen is in de gedaante van het "Heilige Roomse Rijk". Rome was, als stoffelijke natie, al grotendeels uitgeput en zou dat spoedig helemaal zijn. Maar nu deed het er niet meer toe, want haar religieus imperium zou haar de belangrijkste positie in de wereld doen behouden, en zo zou het van binnenuit de wereld regeren, terwijl het er van buiten uit zou zien alsof ze niet regeerde.

Laat mij de juiste Schriftuurlijke waarheid van deze zaak mogen aantonen, want ik wil niet dat er iemand denkt, dat ik een eigen openbaring geef – een die u in de Schrift niet kunt vinden. Daniël 2:31–45: "Gij, o koning! zaagt, en ziet, er was een groot beeld (dit beeld was indrukwekkend, en zijn glans was uitnemend), staande tegenover u; en zijn gedaante was schrikkelijk. Het hoofd van dit beeld was van goed goud; zijn borst en zijn armen van zilver; zijn buik en zijn dijen van koper; zijn schenkels van ijzer; zijn voeten eensdeels van ijzer, en eensdeels van leem. Dit zaagt gij, totdat er een steen afgehouwen werd zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze. Toen werden te zamen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en goud, en zij werden gelijk kaf van de dorsvloeren des zomers, en de wind nam ze weg, en er werd geen plaats voor hen gevonden; maar de steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot een grote berg, alzo dat hij de gehele aarde vervulde. Dit is de droom; zijn uitlegging nu zullen wij voor de koning zeggen. Gij, o koning! zijt een koning der koningen; want de God des hemels heeft u een koninkrijk, macht, en sterkte, en eer gegeven; en overal, waar mensenkinderen wonen, heeft Hij de beesten des velds en de vogelen des hemels in uw hand gegeven; en Hij heeft u gesteld tot een heerser over deze alle; gij zijt dat gouden hoofd. En na u zal een ander koninkrijk opstaan, lager dan het uwe; daarna een ander, het derde koninkrijk van koper, dat heersen zal over de gehele aarde. En het vierde koninkrijk zal hard zijn, gelijk ijzer, aangezien het ijzer alles vermaalt en verzwakt; gelijk nu het ijzer, dat zulks alles verbreekt, alzo zal het vermalen en verbreken. En dat gij gezien hebt de voeten en de tenen, ten dele van pottenbakkersleem, en ten dele van ijzer, dat zal een gedeeld koninkrijk zijn; doch daar zal van de hardheid van het ijzer in zijn, waarom gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem; en de tenen van de voeten, ten dele ijzer, en ten dele leem; dat koninkrijk zal ten dele hard zijn, en ten dele broos. En dat gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich wel door menselijk zaad vermengen, maar zij zullen de een aan de ander niet hechten, zoals ijzer zich met leem niet vermengt. Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een Koninkrijk verwekken, dat in eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan. Daarom hebt gij gezien, dat uit de berg een steen zonder handen afgehouwen is geworden, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde; de grote God heeft de koning bekend gemaakt, wat hierna geschieden zal; de droom nu is gewis, en zijn uitlegging is zeker." Hierin wordt op nauwkeurige wijze de toekomst geopenbaard; onvervulde geschiedenis, die geprofeteerd was om over de aarde te komen vanaf de tijd van Daniël tot Jezus zou komen en regeren zou als de Zone Davids. Zij staat bekend als de "Tijden der Heidenen". Zij omvatte vier historische delen, die genoemd werden naar het heersende rijk in ieder deel: Babylonisch, Medisch-Perzisch, Grieks, Romeins. De grootste en meest absolute monarchie was de Babylonische, die afgebeeld werd als het gouden hoofd. Daarna kwam in volgorde van heerlijkheid de Medisch-Perzische, die, zoals uit de geschiedenis zou blijken, werkelijk minder was in heerlijkheid, en die afgebeeld was als de borst en armen van zilver. Dan volgde het Griekse tijdperk, waarvan de koning een van de meest briljante militaire leiders is geweest die de wereld ooit heeft gekend; daarom werd het zo heel toepasselijk afgebeeld als de buik en dijen van koper. Het was minder glorieus dan de andere twee, die eraan vooraf gingen. Tenslotte kwam het laatste koninkrijk, dat was het Romeinse Rijk, afgebeeld als de benen en voeten. Maar terwijl de voorgaande koninkrijken waren afgebeeld als zuivere mineralen (zuiver goud, zilver en koper), was dit laatste rijk alleen in de benen zuiver ijzer, want bij de voeten begon een mengsel van ijzer en leem; en mineralen en grond kan men nu eenmaal niet zo mengen dat er een constant en stevig produkt verkregen wordt. Toch zou, merkwaardig genoeg, juist dit laatste rijk, het Romeinse, in zijn "gemengde vorm" standhouden totdat Jezus wederkomt.

Dit Romeinse Rijk, een rijk van ijzer (hetgeen duidt op macht en grote vernietigende kracht tegenover tegenstanders) zou uit twee hoofddelen bestaan. En dat was inderdaad zo, want het rijk splitste zich letterlijk in tweeën: het oostelijk deel en het westelijk deel. Beide waren zeer machtig en verpletterden alles voor hun voeten.

Maar zoals aan de glorie en de macht van alle rijken een einde komt, zo kwam ook dit rijk ten val. En zo kwam Rome dus te vallen. Het heidense Keizerrijk Rome was niet langer van ijzer. Het verbrokkelde. Het was dodelijk gewond. Nu kon Rome niet langer regeren. Alles was voorbij. Althans, zo dacht de wereld. Maar hoe vergiste de wereld zich, want die kop (Rome) was, hoewel gewond, toch niet dodelijk gewond. (Wuest vertaalt Openbaring 13:3 aldus: "En een van de koppen scheen dodelijk gewond te zijn, doordat de keel was doorgesneden. En de dodelijke slag aan haar toegebracht werd genezen. En de gehele aarde volgde het Woeste Beest verwonderd na.")

De mensen zien op Rome. Ze zien op de natie Italië. En terwijl ze daarop zien, beseffen ze niet, dat Rome, met haar scherp getekende grenzen, waarbinnen de paus een eigen gebied heeft, letterlijk een natie binnen een natie is, en het heeft ambassadeurs en ontvangt ambassadeurs. Het PAUSELIJKE, VALS CHRISTELIJKE ROME (het wordt zelfs de eeuwige stad genoemd – hoe lasterlijk!) HEERST NU OP BEKWAME WIJZE DOOR DE GODSDIENST OVER NOG MEER MENSEN DAN HET HEIDENSE KEIZERRIJK ROME, DAT TOENTERTIJD HEERSTE DOOR HET ZUIVERE IJZER DER KRACHT. Rome kreeg een langere levensduur toegemeten, toen Constantijn kerk en staat verenigde en de vereniging met geweld steun verleende. De geest, die het heidense Rome dreef, is dezelfde geest, die nu het valse Christelijke Rome drijft. U kunt zien dat dit zo is, omdat u weet, dat het vierde rijk nooit ophield te bestaan; het veranderde alleen in zijn uiterlijke structuur.

Toen het Concilie van Nicéa eenmaal de macht van het politieke Rome aan de kerk had toegeworpen, scheen het, dat deze Eerste Christelijke Kerk niet meer te houden was. De naam "Christelijk", die oorspronkelijk aanleiding gaf tot vervolgingen, werd nu de naam der vervolgers zelf. Het was in dit tijdperk, dat Augustinus van Hippo (354–430) het voorschrift gaf, dat de kerk gebruik behoorde te maken van machtsmiddelen, ja dat ze dat zelfs MOEST doen, als het nodig bleek, teneinde haar kinderen terug te brengen in de schaapskooi, en dat het in overeenstemming was met het Woord van God als men de ketters en afvalligen ter dood bracht. In zijn controverse met de Donatisten schreef hij: "Het is inderdaad beter, dat de mensen tot de verering van God zouden worden geleid door onderwijs, dan dat zij daartoe gedreven zouden worden uit vrees voor straf en pijn, maar daar volgt niet uit, dat, omdat de eerste methode de betere mensen oplevert, degenen die zich niet gewonnen geven, verwaarloosd zouden moeten worden. Want velen hebben er baat bij gevonden (zoals wij bewezen hebben en dagelijks bewijzen door de ervaring), dat zij eerst worden gedwongen door vrees of pijn, zodat ze naderhand beïnvloed zouden kunnen worden door onderwijs, zodat ze metterdaad zouden navolgen wat zij in al hun woorden geleerd hebben... terwijl zij beter zijn, die terecht worden gebracht door liefde, zijn degenen die door vrees op de rechte weg gebracht worden talrijker. Want wie zou ons ooit meer kunnen liefhebben dan Christus, Die Zijn leven heeft gegeven voor de schapen. Toch, nadat Hij Petrus en de andere apostelen alleen door Zijn Woord geroepen had, dwong Hij Paulus niet alleen met Zijn stem, toen Hij hem tot Zijn dienst kwam roepen, maar Hij wierp hem zelfs ter aarde door Zijn macht; en om met geweld iemand ertoe te brengen het licht des harten te gaan begeren, die in de duisternis van het ongeloof rondwoedde, sloeg Hij hem eerst met lichamelijke blindheid der ogen. Waarom zou de Kerk dan geen geweld gebruiken om haar verloren zonen tot terugkeer te dwingen? De Heer Zelf heeft gezegd: 'Ga uit in de wegen en heggen; en dwing ze in te komen.' Waarom, indien de macht, die de Kerk heeft ontvangen door Goddelijke beschikking te rechter tijd, door de godsdienstige aard en het geloof der koningen, het instrument is, waardoor zij, die zich op wegen en in heggen bevinden – dat is, in ketterijen en scheuringen – gedwongen worden om in te gaan, laten zij er dan geen aanmerkingen op maken, dat ze gedwongen worden."

De bloeddorstigheid nam hand over hand toe. De valse wijnstok in Spanje beïnvloedde Keizer Maximus, zodat hij ertoe bewogen werd, mee te doen in de aanval op de ware gelovigen, die het Woord en de tekenen en wonderen bij zich hadden. Zo werden door Bisschop Ithacus enige Priscillianisten naar Trier gebracht (385). Hij beschuldigde hen van hekserij en zedeloosheid en velen werden ter dood gebracht. Martinus van Tours en Ambrosius van Milaan protesteerden hiertegen, en pleitten tevergeefs voor beëindiging van de vervolging. Toen de vervolging voortgezet werd, weigerden deze twee bisschoppen als broeders om te gaan met bisschop Hydatus en anderen die waren als hij. Vreemd dat de Synode in Trier de moorden goedkeurde.

Vanaf deze tijd, en vooral gedurende de Middeleeuwen, zullen we zien hoe de kinderen naar het vlees, de kinderen naar de Geest vervolgen en ombrengen, hoewel ze beiden zeggen, één Vader te hebben, net als met Ismaël en Izaäk het geval was. De duisternis van het geestelijke bederf zal dieper worden en het ware licht van God zal uitdoven, tot het nog maar op enkele plaatsen flauwtjes schijnt. Toch blijft de belofte van God waar: "Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis kan er niets aan doen." Nu heb ik nog niet uiteengezet wat ik beloofde te zeggen over één punt in de geschiedenis, en wel de vermenging van de godsdienst van Nimrod en de Christelijke godsdienst. U zult zich herinneren, dat Attalus uit Babylon naar Pergamus vluchtte en daar zijn koninkrijk stichtte, buiten het bereik van het Romeinse Rijk. Jarenlang bloeide dit rijk, gekoesterd door de god van deze wereld. Een rij van koningen volgde na Attalus tot op de regering van Attalus III, die, om redenen die alleen in de soevereiniteit Gods bekend zijn, het koningschap aan Rome vermaakte. Julius Caesar nam toen zowel het natuurlijk als het geestelijk koningschap aan, want hij werd Pontifex Maximus van de Babylonische godsdienst en was dus priesterkoning. Deze titel ging over op de keizers die hem opvolgden, tot op de tijd van Maximus III, die de titel weigerde. Volgens Stevens' Historie was het toen, dat de paus de leiding op zich nam, die door de keizer afgewezen was; en heden ten dage is er nog een Pontifex in de wereld en hij is werkelijk Pontifex Maximus. Hij draagt een drievoudige kroon en heeft zijn zetel in Rome. En in Openbaring 17 spreekt God niet meer over Pergamus als de troon van Satan, en ook zegt Hij niet, dat de Satan daar woont. Neen, de troonzaal is niet langer in Pergamus, maar zij is het GEHEIMENIS Babylon. Ze is niet in Babylon, maar in het GEHEIMENIS Babylon. Zij bevindt zich in een stad op zeven heuvelen. Haar hoofd is de antichrist want hij heeft zich de positie van Christus toegeëigend, Die alleen Middelaar is en Die alleen zonden kan vergeven. Ja, de Pontifex Maximus is tegenwoordig nog onder ons.

De leer der Nikolaïeten

Openbaring 2:15:

Alzo hebt ook gij, die de lering der Nikolaïeten houden; hetwelk Ik haat.

U zult zich herinneren hoe ik bij het tijdperk van Efeze heb uiteengezet, dat het woord "Nikolaïeten" afgeleid is van twee Griekse woorden: "nikao", dat overwinnen, onderwerpen of veroveren betekent, en "laos", wat betekent "de leken" (het volk).

Het woord Nikolaïeten betekent dus zoiets als "de leken overwinnen". En waarom is dit nu zo iets verschrikkelijks? Het is verschrikkelijk, omdat God Zijn gemeente nooit in de handen van een uitverkoren leiderschap heeft gelegd, dat zijn gang kan gaan met politieke gezindheid. Hij heeft Zijn gemeente toevertrouwd aan de zorg van door God verordineerde, Geest-vervulde, Woord-levende mannen, die de mensen leiden door ze te voeden met het Woord. Hij heeft de mensen niet in klassen ingedeeld, zodat de massa's worden geleid door een "heilig" priesterschap. Het is waar, dat de leiding (in de gemeente) heilig moet zijn, maar dat moet de hele gemeente ook zijn. Verder kunt u niet één plaats in het Woord vinden waaruit blijkt, dat priesters of dienaars bemiddelen tussen God en de mensen, en evenmin is er een Schriftplaats, waar zij in hun verering van de Here apart staan. God wil dat allen Hem samen liefhebben en dienen. Het stelsel der Nikolaïeten doet deze voorschriften teniet en maakt van degenen die leiding geven heersers in plaats van dienaren. Nu ontstond deze leer in werkelijkheid als "werken" in het eerste tijdperk. Het schijnt, dat het probleem lag in twee woorden: "oudsten" of "ouderlingen" (presbyters) en "opzieners" (bisschoppen). Hoewel de Schrift laat zien, dat er in iedere gemeente verscheidene oudsten zijn, begonnen sommigen, zoals Ignatius, te leren dat het idee van "bisschop" inhield, dat deze uitstak boven de oudsten en gezag of heerschappij over hen had. Nu is de zaak deze, dat het woord "oudste" aanduidt, wie de persoon is, terwijl het woord "bisschop" het ambt van dezelfde man aanduidt. De oudste is de man; bisschop is het ambt van de man. "Oudste" heeft altijd eenvoudig geduid op iemands leeftijd in de Heer. Hij is een oudste, niet omdat hij uitgekozen of aangesteld is enzovoort, maar omdat hij OUDER is. Hij is beter toebereid, meer geoefend, geen nieuweling, betrouwbaar vanwege zijn ervaring en lange staat van dienst als Christen. Maar nee, de bisschoppen hielden zich niet aan de brieven van Paulus, maar wendden zich liever tot het verhaal dat beschrijft hoe Paulus de oudsten van Efeze naar Milete riep in Handelingen 20. In vers 17 staat, dat de "ouderlingen" werden geroepen en dan worden deze in vers 28 opzieners (bisschoppen) genoemd. En deze bisschoppen (ongetwijfeld politiek georiënteerd en begerig naar macht) beweerden met klem dat uit Paulus' woorden zou blijken dat "opzieners" meer waren dan de plaatselijke ouderling (oudste), die alleen in zijn eigen kerk officiële bevoegdheid had. Voor hen was een bisschop nu iemand wiens gezag zich uitstrekte over vele plaatselijke leiders. Zo'n voorstelling was noch Schriftuurlijk noch historisch, toch helde zelfs een man van het formaat van Polycarpus naar zulk een organisatie over. Wat in het eerste tijdperk met een daad begon, werd letterlijk tot een leer en zo is het tot op vandaag. Nog steeds matigen bisschoppen zich de macht aan om over mensen te heersen en met hen te doen zoals ze willen, bijvoorbeeld door hen in een bediening te plaatsen, waar zij (de bisschoppen) maar willen. Dit is een verloochening van het leiderschap van de Heilige Geest, Die zei: "Zondert Mij af beide Barnabas en Saulus tot het werk, waartoe Ik ze geroepen heb." Dit is anti-Woord en anti-Christus, ofwel antichristelijk. Matthéüs 20:25–28: "En toen Jezus hen tot Zich geroepen had, zeide Hij: Gij weet, dat de oversten der volken heerschappij voeren over hen, en de groten gebruiken macht over hen. Doch alzo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u groot zal willen worden, die zij uw dienaar; en zo wie onder u de eerste zal willen zijn, die zij uw dienstknecht. Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een losprijs voor velen." Matthéüs 23:8–9: "Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want Eén is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders. En gij zult niemand uw vader noemen op de aarde; want Eén is uw Vader, namelijk Die in de hemelen is."

Om dit nog duidelijker te maken, wil ik het Nikolaïtisme zo verklaren. U herinnert zich, dat in Openbaring 13:3 staat: "En ik zag een van zijn hoofden als tot de dood gewond, en zijn dodelijke wond werd genezen; en de gehele aarde verwonderde zich achter het beest." Nu weten wij, dat het gewonde hoofd het heidense Romeinse Rijk was, die grote politieke wereldmacht. Dit hoofd kwam weer op als het "Rooms- (Romeins-) katholieke geestelijke rijk". Let hier nu goed op. Wat deed het politieke heidense Rome, wat de basis van zijn succes was? Het "verdeelde en veroverde". Dat was het zaad van Rome – verdelen en veroveren. Haar ijzeren tanden verscheurden en verslonden. Degene die zij verscheurde en verslond, kon niet weer op staan, zoals toen ze Carthago verwoestte en met zout bestrooide. Het zelfde ijzeren zaad bleef in haar toen ze opstond als de valse kerk, en haar politiek is dezelfde gebleven – verdelen en veroveren. Dat is het Nikolaïtisme en God haat het.

Nu is het een bekend historisch feit, dat toen deze dwaling de kerk binnensloop, mensen naar het ambt van bisschop begonnen te dingen, met het gevolg, dat deze positie werd gegeven aan de meer onderlegde en materieel vooruitstrevende en politiek-gezinde mannen. Menselijke kennis en het program begonnen de plaats van de Goddelijke wijsheid over te nemen en de Heilige Geest regeerde niet langer. Dit was inderdaad een tragisch kwaad, want de bisschoppen begonnen te beweren, dat je niet langer een oprecht Christelijk karakter nodig had om het Woord of de riten in de kerk te bedienen, want het kwam slechts op de uiterlijkheden en de ceremoniën aan. Dit gaf boze mannen (verleiders) gelegenheid, de kudde te verscheuren.

Toen de door mensen bedachte leer van de verheffing van bisschoppen tot een plaats, die hun in de Schrift niet gegeven wordt eenmaal gevestigd was, was de volgende stap, dat men titels in verschillende rangen begon uit te delen, die een godsdienstige hiërarchie vormden; want spoedig waren er aartsbisschoppen boven bisschoppen en kardinalen weer boven de aartsbisschoppen, en in de tijd van Bonifatius III was er een paus boven allen, een pontifex.

En zo, met de leer der Nikolaïeten en de vermenging van het Christendom met het Babylonisme, moest het gevolg wel zijn hetgeen Ezechiël zag in hoofdstuk 8:10: "Zo ging ik in, en ik zag, en ziet, er was allerlei beeltenis van kruipende dieren en verfoeilijke beesten, en van alle drekgoden van het huis Israëls, geheel rondom aan de wand geschilderd." Openbaring 18:2: "En hij riep krachtig met een grote stem, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en is geworden een woonstede der duivelen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte; omdat uit de wijn van de toorn van haar hoererij alle volken gedronken hebben..."

Nu ging deze leer der Nikolaïeten, deze regering die in de kerk gevestigd was, er bij veel mensen niet zo best in, want zij konden nog altijd het een of andere geschrift of een handboek lezen over het Woord, dat door een vroom iemand geschreven was. Dus wat deed de kerk? Zij bande de rechtvaardige leraars uit en verbrandde de boekrollen. Ze zeiden: "Je hebt een speciale opleiding nodig om het Woord te kunnen lezen en verstaan. U weet toch wel, zelfs Petrus zei, dat vele dingen, die Paulus geschreven had zwaar om te verstaan waren." Nadat het Woord van de mensen was weggenomen, kwam het al spoedig zover, dat de mensen alleen maar luisterden naar wat de priester te zeggen had en deden wat hij hun zei. Dat noemden zij God en Zijn heilig Woord. Zij namen de gedachten en levens van de mensen in beslag en maakten hen de dienstknechten van een despotisch priesterschap.

Als u nu een bewijs wilt, dat de Katholieke kerk het leven en denken der mensen opeist, moet u luisteren naar het Edict van Theodosius X.

Het Eerste Edict van Theodosius.

Dit edict werd uitgevaardigd onmiddellijk nadat hij gedoopt was door de Eerste Kerk van Rome. "Wij, de drie keizers, willen, dat onze onderdanen zich standvastig houden aan de godsdienst, die door St. Petrus aan de Romeinen is geleerd, die door overlevering getrouwelijk is bewaard en die nu beleden wordt door de pontifex (opperpriester) Damasus van Rome, en Petrus, bisschop van Alexandrië, een man van apostolische heiligheid volgens de inzetting der Apostelen en de leer van het Evangelie; laat ons geloven in één Godheid van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, van gelijke majesteit in de Heilige Drieëenheid. Wij bevelen dat de aanhangers van dit geloof Katholieke Christenen worden genoemd; wij merken al de verdwaasde volgelingen van de andere godsdiensten met de eerloze naam van ketters, en verbieden, dat hun conventikels de naam van kerken aannemen. Naast de verdoemenis door het goddelijk recht, dienen zij de zware straf te verwachten welke ons gezag, geleid door de hemelse wijsheid, zal menen te moeten opleggen..."

De vijftien strafwetboeken, die deze keizer in evenveel jaren uitvaardigde, beroofden de Evangelischen van alle rechten tot het uitoefenen van hun godsdienst, sloten hen uit van alle openbare ambten, en bedreigden hen met boetes, confiscaties (verbeurdverklaring van hun bezittingen), verbanning en in sommige gevallen zelfs met de dood.

En zal ik u eens wat zeggen? We gaan vandaag precies dezelfde kant op. De Rooms-katholieke kerk noemt zich de Moederkerk. Zij noemt zich de eerste of oorspronkelijke kerk. Dat is absoluut juist. Zij was de oorspronkelijke Eerste Kerk van Rome, die terugviel en de weg der zonde opging. Zij was de eerste die zich organiseerde. In haar werden de daden, en later de leer van het Nikolaïtisme gevonden. Niemand zal ontkennen dat zij een moeder is. Zij is moeder en heeft dochters voortgebracht. Nu komt een dochter uit een vrouw voort. Een vrouw, gekleed in scharlaken, zit op de zeven heuvelen van Rome. Zij is een hoer en heeft dochters gebaard. Die dochters zijn de Protestantse kerken, die uit haar voortkwamen en daarop regelrecht terugkeerden tot de organisatie en het Nikolaïtisme. Deze moeder van de dochterkerken wordt een hoer genoemd. Dat is een vrouw die ontrouw was aan haar huwelijksbeloften. Zij was gehuwd met God en heeft zich daarna afgekeerd door te hoereren met de duivel en in haar hoererijen heeft zij dochters voortgebracht, die al net eender zijn als zij. Deze combinatie van moeder en dochter is anti-Woord, anti-Geest en mitsdien anti-Christus, ja ANTICHRISTELIJK.

Nu wil ik, voor ik verder ga, nog zeggen, dat deze vroege bisschoppen dachten, dat zij boven het Woord stonden. Zij vertelden de mensen, dat zij hun zonden konden vergeven wanneer zij hun deze beleden. Zo is de waarheid nooit geweest. Ze begonnen kinderen te dopen in de tweede eeuw. Zij brachten in werkelijkheid de doop der wedergeboorte in toepassing. Geen wonder dat de mensen vandaag in verwarring zijn. Als ze toen, zo dicht bij Pinksteren, in verwarring waren, zijn zij nu in een haast wanhopige toestand, ongeveer 2000 jaar verwijderd van de oorspronkelijke waarheid.

O, gemeente Gods, er is maar één hoop. Keer terug tot het Woord en blijf daarbij.

De leer van Bileam

Openbaring 2:14:

... dat gij aldaar hebt, die de lering van Bileam houden, die Balak leerde de kinderen Israëls een aanstoot voor te werpen, opdat zij afgodenoffer zouden eten en hoereren.

Het is nu eenmaal onmogelijk om een Nikolaïetische instelling te hebben zonder dat ook deze andere leer binnendringt. Ziet u, als u het Woord van God en de beweging des Geestes wegneemt als een middel der aanbidding (zij die Mij aanbidden, moeten Mij aanbidden in Geest en waarheid), dan zult u de mensen ter vervanging een andere vorm van aanbidding moeten geven, en vervanging betekent Bileamitisme.

Als we willen verstaan, wat de leer van Bileam is in de Nieuw-testamentische gemeente, kunnen we beter even teruggaan om te zien, wat het in de Oud-testamentische gemeente was en dat dan toe te passen op het derde tijdperk en over te brengen op de tijd van nu.

U vindt de geschiedenis in Numeri 22 tot en met 25. Nu weten wij, dat Israël het uitverkoren volk van God was. Zij waren de Pinkstermensen van die dagen. Zij hadden hun toevlucht genomen onder het bloed, zij waren allemaal gedoopt in de Rode Zee en ze kwamen boven uit de wateren, zingende in de Geest en dansende onder de kracht van de Heilige Geest, terwijl Mirjam, de profetes, op haar tamboerijn speelde. Welnu, na een zekere tijd gereisd te hebben, kwamen deze kinderen Israëls bij Moab. U herinnert u, wie Moab was. Hij was de zoon van Lot door een van diens eigen dochters, en Lot was weer een neef van Abraham, dus Israël en Moab waren familie van elkaar. Ik wil dat u dat beseft. De Moabieten kenden de waarheid, of ze er naar leefden of niet. Israël kwam dus aan de grenzen van Moab en zond boodschappers naar de koning, met de woorden: "Wij zijn broeders. Laat ons door uw land trekken. Wanneer onze mensen of onze beesten iets eten of drinken, willen we er graag voor betalen." Maar koning Balak raakte erg opgewonden. Dat hoofd van de Nikolaïetische kliek was niet van zins de gemeente door zijn eigen gebied te laten trekken met haar tekenen en wonderen en diverse manifestaties van de Heilige Geest, en wier gezichten straalden vanwege de heerlijkheid van God. Het was te riskant, want hij zou eens een paar mensen van zijn eigen kudde kunnen verliezen. Dus weigerde Balak, om Israël door te laten. Ja, hij was zo bang voor hen, dat hij naar een huurling-profeet met name Bileam ging en hem verzocht, te bemiddelen tussen hem en God en de Almachtige te smeken, om Israël te vervloeken en ze machteloos te maken. Bileam, begerig als hij was om aan politieke zaken mee te doen en een groot man te worden, was maar al te bereidwillig om dat te doen. Hij zag echter in, dat hij tot God moest naderen, en door Hem gehoord moest worden om het volk te kunnen vervloeken, daar hij het niet uit zichzelf kon doen; dus ging hij tot God om Hem toestemming te vragen om te gaan. Nu, is dat nu niet precies wat de Nikolaïeten doen, die wij vandaag onder ons hebben? Zij vervloeken een ieder die niet dezelfde weg gaat als zij.

Toen Bileam aan God toestemming vroeg om te vertrekken, wees God hem af. Ai, dat deed pijn! Maar Balak drong aan, en beloofde hem nog grotere beloningen en nog meer eer. Dus ging Bileam terug tot God. Nu zou één antwoord van God genoeg moeten zijn geweest. Maar niet voor de eigenwijze Bileam. Toen God zijn verdorvenheid zag, zei Hij hem, op te staan en maar te vertrekken. Haastig zadelde hij de ezelin en daar ging hij. Hij had moeten beseffen, dat dit alleen Gods wil was in de zin van toelating, en hij zou ze niet kunnen vervloeken al ging hij twintig maal en probeerde hij het evenzo vele malen. Wat lijken de mensen van vandaag op Bileam! Ze geloven in drie goden, worden gedoopt in drie titels in plaats van in de NAAM en toch zal God Zijn Geest op hen zenden zoals op Bileam, en ze zullen hun weg vervolgen in de mening verkerende, dat ze volkomen gelijk hebben, en hierin zijn ze in werkelijkheid volmaakte Bileamieten. Kijk, dat is de leer van Bileam. Ga in elk geval verder. Doe het op uw manier. Ze zeggen: "Wel, God heeft ons gezegend. Het moet volkomen in orde zijn." Ik weet, dat Hij u heeft gezegend. Ik ontken dat niet. Maar het is dezelfde organisatorische weg, die Bileam ook ging. Het is een loochening van Gods Woord. Het is een valse leer.

Zo reed Bileam als een wilde langs de weg, tot er een engel van God op zijn weg kwam. Maar deze profeet (bisschop, kardinaal, voorzitter, president en superintendent) was door de gedachte aan eer en heerlijkheid en geld zo blind geworden voor geestelijke dingen, dat hij de engel met het uitgetrokken zwaard niet zag staan. Daar stond hij om de verdwaasde profeet tegen te houden. Het ezeltje zag hem en week opzij, tot het tenslotte Bileams voet bezeerde tegen een stenen muur. De ezelin stond stil en wilde niet verder gaan. Zij kon ook niet. Dus sprong Bileam van haar af en begon haar te slaan. Toen begon de ezelin tegen Bileam te spreken. God liet de ezelin spreken in een tong. Die ezelin was geen bastaard; zij was oorspronkelijk zaad. Zij zei tegen Bileam, de blinde profeet: "Ben ik niet uw ezelin, en heb ik u niet trouw gedragen?" Bileam antwoordde: "Ja, ja, je bent mijn ezelin, en je hebt me trouw gedragen en als ik je niet op gang kan krijgen, sla ik je dood... Oei... Wat is dat? Sta ik daar te praten tegen een ezelin? Dat is vreemd, ik dacht dat ik de ezelin hoorde praten en ik gaf antwoord."

God heeft altijd in een tong gesproken. Hij sprak op het feest van Belsazar en later op Pinksteren en vandaag doet Hij het weer. Het is een waarschuwing van een naderend oordeel.

Toen werd de engel zichtbaar voor Bileam. Hij zei Bileam, dat als de ezelin het niet had verhoed, hij nu een dode zou zijn geweest, omdat hij God had verzocht. Maar toen Bileam beloofde, dat hij terug zou keren, werd hij doorgestuurd met de vermaning, dat hij alleen mocht spreken wat God hem ingaf.

Dus ging Bileam verder en richtte zeven altaren op voor de reine offerdieren. Hij slachtte een ram als beeld van de komst van de Messias. Hij wist wat hij moest doen om tot God te naderen. Hij wist de juiste methode, het mechaniek was goed, maar niet de dynamiek. Zo is het ook nu. Kunt u het niet inzien, Nikolaïeten? Daar was Israël, beneden in het dal, terwijl het hetzelfde offer offerde en dezelfde dingen deed, maar bij slechts één van beide volgden de tekenen. Slechts één van hen had God in het midden. Een vorm brengt u nergens. Zij kan niet de plaats innemen van de manifestatie van de Geest. Dat gebeurde in Nicéa. Ze drukten de leer van Bileam er door in plaats van de leer van God. En ze struikelden; ja ze vielen. Ze werden doden.

Nadat het offer was gebracht, was Bileam gereed om te profeteren. Maar God bond zijn tong als het ware vast en hij kon ze niet vervloeken. Hij zegende hen.

Balak was woedend, maar aan de profetie kon hij niets veranderen. Zij was gesproken door de Heilige Geest. Dus zei Balak tegen Bileam, dat hij naar beneden moest gaan, het dal in, en hen van de achterzijde bezien, hun achterdelen, om te kijken of er misschien niet een manier was om hen te vervloeken. De tactiek die Balak gebruikte is dezelfde die ook vandaag gebruikt wordt. De grote denominaties zien neer op de kleine groepen, en als ze ook maar iets onder hen vinden om een schandaal te maken, brengen ze het aan het licht en schreeuwen het rond. Als de modernen in zonde leven, zegt niemand er iets van; maar laat één van de uitverkorenen in moeite geraken en iedere krant bazuint het uit over het hele land. Ja, Israël had zijn (vleselijke) achterdelen. Zij hadden hun kant, die niet prijzenswaardig was; maar ondanks hun onvolkomenheden hadden zij, door het voornemen van God dat werkt door uitverkiezing, uit genade en niet door werken, DE WOLK DES DAAGS EN DE VUURKOLOM DES NACHTS; ZIJ HADDEN DE GESPLETEN ROTS, DE KOPEREN SLANG EN DE TEKENEN EN WONDEREN. Zij waren het aangewezen volk – niet door haar zelf – maar van Godswege.

God had geen enkel respect voor die Nikolaïeten met hun doctoren in de wijsbegeerte, in de rechten en in de theologie en al hun mooie organisaties en het beste waarop de mens zich kan beroemen, maar Hij had wel respect voor Israël, want zij hadden het bewezen Woord onder hen. Zeker, Israël zag er niet zo heel mooi uit, ze waren net in overhaaste vlucht uit Egypte gekomen, maar toch waren zij een gezegend volk. Alles wat Israël gedurende meer dan 300 jaar had geweten was het hoeden van kudden, het bewerken van akkers en slaafse arbeid in doodsangst onder de Egyptenaren. Maar nu was het vrij. Het was een gezegend volk door de soevereiniteit van God. Zeker zag Moab op hen neer. En alle andere naties ook. De organisatie ziet altijd neer op de ongeorganiseerden en zal hen of dwingen te beslissen tot de organisatie toe te treden of ze vernietigen wanneer ze niet willen komen.

Nu vraagt iemand mij misschien: "Broeder Branham, hoe komt u er bij dat Moab georganiseerd was en Israël niet? Waar haalt u dat idee vandaan?" Ik haal het rechtstreeks uit de Bijbel. Het wordt hier allemaal uitgebeeld. Alles wat in het Oude Testament geschreven staat in de vorm van geschiedenissen is tot onze vermaning geschreven, zodat wij er van kunnen leren. Precies hier staat het, in Numeri 23:9: "Want van de hoogte der steenrotsen zie ik hem, en van de heuvels aanschouw ik hem; ziet, dat volk zal ALLEEN wonen, en HET ZAL ONDER DE HEIDENEN NIET GEREKEND WORDEN."

Daar hebt u het. God ziet neer van de top van de steenrotsen, niet van uit een of ander dal om hun slechte dingen te vinden en ze te veroordelen. God ziet ze zoals Hij ze wilde zien – van de hoogte der liefde en ontferming. Zij woonden ALLEEN en waren niet georganiseerd. Ze hadden geen koning. Ze hadden een profeet en de profeet had de inwoning Gods door de Geest; en het Woord kwam tot de profeet en het Woord ging uit tot het volk. Ze behoorden niet tot de Verenigde Naties. Ze behoorden niet tot de Wereldraad van kerken, of tot de Baptisten, Presbyterianen of de Assembly of God of een andere groep. Zij behoefden nergens toe te behoren. Zij waren verbonden aan God. Zij hadden geen advies van het een of andere raadscollege nodig – zij hadden het "Zo zegt de Here" in hun midden. Halleluja.

Toch ondanks het feit dat Bileam de juiste manier wist om tot God te naderen, en ondanks het feit dat hij een openbaring van de Heer kon voortbrengen, dank zij een bijzondere bekrachtiging, toch was hij een bisschop in de valse groep. Want wat deed hij nu om Balaks gunst te winnen? Hij opperde een plan, waardoor God gedwongen zou worden om in Israël de doodstraf ten uitvoer te brengen. Evenals Satan wist, dat hij Eva kon bedriegen (door haar in vleselijke zonden te doen vallen) zodat God de door Hem aangekondigde doodstraf op de zonde zou toepassen, zo wist Bileam dat, indien hij Israël tot zonde kon brengen, God met hen zou moeten handelen en hen doden. Dus bedacht hij een manier om hen over te halen en mee te doen in de zonde. Hij zond uitnodigingen uit om naar het feest van Baäl-Peor te komen (kom over en bid met ons aan). Nu had Israël ongetwijfeld de feesten van de Egyptenaren gezien, dus ze vonden dat het niet zo erg slecht zou zijn om er heen te gaan en eens te kijken en misschien met de mensen te eten. (Wat is er trouwens tegen "fellowship"? Er wordt toch van ons verwacht, dat wij ze liefhebben; hoe kunnen we ze anders winnen?) Vriendelijkheid heeft nog nooit iemand kwaad gedaan – tenminste, dat dachten zij. Maar toen die verleidelijke Moabietische vrouwen begonnen te dansen en zich te ontkleden, terwijl zij rondwervelden en hun rock and roll en twist dansten, kwam de lust in de Israëlieten op en ze werden meegesleept in hoererij en God doodde in Zijn toorn 24.000 onder hen.

En datzelfde deden Constantijn en zijn opvolgers in en na Nicéa. Zij nodigden het volk van God uit naar de bijeenkomst te komen. Toen de kerk neerzat om te eten en opstond om te spelen (door deel te nemen aan de vormendienst der kerk, aan hun ceremoniën en heidense feesten onder Christelijke namen) was ze in de val gelopen; ze had hoererij bedreven en God verliet hen.

Als iemand zich van het Woord van God afkeert en zich voegt bij een kerk, in plaats van de Heilige Geest te ontvangen, sterft die man. Dood! Dat is hij. Voeg u niet bij een kerk. Begeef u niet in een organisatie, zodat u wordt gevangen in geloofsbelijdenissen, overleveringen of iets anders dat de plaats van het Woord en de Geest inneemt, want dan bent u er geweest. Dan bent u dood, dan is het allemaal voorbij. Voor eeuwig gescheiden van God!

Dat is sedertdien in elk tijdperk gebeurd. God verlost de mensen. Zij komen vrij door het bloed, worden geheiligd door het Woord, gaan door de wateren van de doop en worden vervuld met de Geest; maar na enige tijd verkoelt de eerste liefde en iemand krijgt het idee, dat ze zich zouden moeten organiseren om zich te bewaren en een naam te maken voor zichzelf, en ze keren door hun organiseren linea recta terug in de tweede generatie, en soms al eerder. Ze hebben de Geest van God niet langer, maar ze hebben een vorm van aanbidding. Ze zijn dood. Ze hebben zich verbasterd door geloofsbelijdenis en vormendienst en er is hierdoor geen leven meer in hen.

Bileam bracht dus Israël ertoe om overspel te bedrijven. Weet u dat lichamelijke hoererij precies dezelfde geest is als die ligt in de georganiseerde godsdienst? Ik zei dat de geest der hoererij de geest van de organisatie is. Alle hoereerders zullen hun plaats hebben in de poel des vuurs. Zo denkt God over organisatie. Ja, ja, de hoer en haar dochters zullen in de poel des vuurs zijn.

Denominaties zijn niet van God. Ze zijn dat nooit geweest en zullen dat ook nooit zijn. Het is een verkeerde geest, die het volk van God scheidt in hiërarchie en leken; en daarom is het een verkeerde geest, die de mens van de mens scheidt. Dat laatste doen de organisaties en denominaties. Door zich te organiseren scheiden zij zich van het Woord van God af en plegen overspel, geestelijk gesproken.

Let op, Constantijn gaf bijzondere feesten aan de mensheid. Het waren de oude heidense feesten met nieuwe namen, aan de kerk ontleend, of in sommige gevallen nam men Christelijke riten en misbruikte die met heidense ceremoniën. Hij nam de eredienst van de zonnegod en veranderde die in de Zoon van God. In plaats van het feest te vieren op 21 december, wat de gebruikelijke datum was voor het feest van de zonnegod, zetten zij het op 25 december en noemden het de geboortedag van de Zoon van God. Maar wij weten, dat Hij in april geboren werd, wanneer het leven uitspruit, niet in december. Zij namen het Astarte-feest en noemden het de Paasviering, waarin de Christen verondersteld wordt de dood en de opstanding van de Heer te gedenken. In werkelijkheid was het een heidens feest van Astarte.

Ze zetten altaren in de kerk. Ze plaatsten er beelden in. Ze gaven de mensen wat ze noemen de apostolische belijdenis, ofschoon u haar niet in de Bijbel kunt vinden. Zij leerden de mensen de voorouderverering, waardoor ze de Rooms-katholieke kerk tot de grootste spiritistische kerk ter wereld maakten. Iedere onreine vogel zat in die kooi. Dan hebben we de Protestanten, met hun organisaties, die hetzelfde doen.

Zij aten afgodenoffer. Nu zeg ik niet, dat dit werkelijk betekent, dat zij vlees aten dat aan de afgoden geofferd werd, want hoewel de vergadering van Jeruzalem zich daartegen had uitgesproken, kon het Paulus niet veel schelen, want hij zei, dat de afgoden niets zijn. Het was slechts een zaak van het geweten, behalve wanneer een zwakkere broeder er aanstoot aan nam en dan was het niet geoorloofd. Bovendien heeft deze Openbaring betrekking op heidenen, niet op Joden, want dit zijn heidengemeenten. Ik zie dit in hetzelfde licht als ik de woorden van de Here zie: "Tenzij dat gij het vlees van de Zoon des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelf." U ziet wel, dat eten in werkelijkheid is, een deelnemen in geestelijke zin. Toen dus deze mensen zich gingen buigen voor beelden, kaarsen aanstaken, heidense feestdagen vierden, hun zonden aan de mensen beleden (wat allemaal behoort tot de godsdienst van de duivel), kregen zij deel aan de duivel en niet aan de Heer. Ze zaten in de afgoderij, of ze het erkenden of niet. Ze kunnen zeggen wat ze willen, dat de altaren en het wierook alleen maar dienen om hen te herinneren aan de gebeden van de Heer of wat ze dan ook denken dat het betekent; en ze kunnen zeggen wat ze willen, dat, wanneer ze voor het beeld bidden, het alleen maar is om de zaak te benadrukken; en dat, wanneer ze bij de priester biechten, ze het in werkelijkheid, in hun hart voor God doen, en wanneer ze zeggen, dat wanneer de priester hun vergeeft, hij het alleen maar doet in de Naam des Heren; ze kunnen zeggen wat ze willen, maar ze hebben deelgenomen aan de bekende Babylonische, Satanische godsdienst en hebben zich gekoppeld aan afgoden en geestelijke hoererij bedreven, wat de dood tot gevolg heeft. Ze zijn dood.

Zo waren kerk en staat dus gehuwd. De kerk koppelde zich aan de afgoden. Met de staatsmacht achter zich waren zij van mening dat nu "het koninkrijk was gekomen en Gods wil met kracht was doorgevoerd op aarde." Geen wonder dat de Rooms-katholieke kerk niet uitziet naar de wederkomst van de Here Jezus. Zij geloven niet in het Duizendjarig Rijk. Zij hebben hun duizendjarig rijk hier reeds. De paus regeert nu en God regeert in hem. Volgens hen komt Hij, wanneer de nieuwe hemel en de nieuwe aarde bereid zijn. Maar zij vergissen zich. Die paus is het hoofd van de valse kerk, er zal een Duizendjarig Rijk zijn, maar wanneer dat er zijn zal, zal hij zich daar niet bevinden. Hij zal ergens anders zijn.

De waarschuwing

Openbaring 2:16:

Bekeer u; en zo niet, Ik zal haastig bij u komen, en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard van Mijn mond.

Wat kan Hij anders zeggen? Kan God de zonde over het hoofd zien, van hen die Zijn Naam tevergeefs gedragen hebben? Er is maar één manier om genade te verkrijgen in het uur der zonde, BEKEER U. Belijd dat u dwaalt. Kom tot God om vergeving en om de Geest van God. Dit is een bevel van God. Ongehoorzaamheid betekent de dood, want Hij zegt: "Ik zal tegen hen krijg voeren met het zwaard van Mijn mond." Het beest voerde oorlog tegen de heiligen, maar God zal oorlog voeren tegen het beest. Zij, die het Woord bestreden, zullen eens ervaren, dat het Woord tegen hen strijdt. Het is een ernstige zaak om van het Woord af te doen of er aan toe te voegen. Want zij, die het veranderd hebben, en er mee gedaan hebben zoals hun goeddacht, wat zal hun einde anders zijn dan dood en verderf? Maar toch roept de genade van God het nog uit: "Bekeer u." O, hoe liefelijk zijn de gedachten der bekering. Niets breng ik mee, ik kom met lege handen; slechts klem ik mij eenvoudig vast aan Uw kruis. Ik breng mijn verdriet. Ik heb er berouw over, dat ik ben wat ik ben, en over wat ik heb gedaan. Nu is het het bloed, niets dan het bloed van Jezus. Wat zal het zijn? Bekering, of het dodelijk zwaard? Het antwoord is aan u.

Het loon

Openbaring 2:17:

Die een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van het manna, dat verborgen is, en Ik zal hem geven een witte keursteen, en op de keursteen een nieuwe naam geschreven, welke niemand kent, dan die hem ontvangt.

Iedere boodschap voor ieder tijdperk houdt een aansporing in voor de gelovige, die hem aanmoedigt om een overwinnaar te zijn en daardoor het loon van de Heer te ontvangen. In deze eeuw belooft de Geest het verborgen manna en een nieuwe naam, geschreven in een witte steen.

Daar nu elk van de boodschappen gericht is aan de "engel" – de menselijke boodschapper – is zowel een zeer grote verantwoordelijkheid als een wonderbaar voorrecht zijn deel. Aan deze mannen doet God bijzondere beloften, zoals aan de twaalf apostelen, die op twaalf tronen zullen zitten en de twaalf stammen van Israël oordelen. Herinner u dan ook dat Paulus een bijzondere belofte was gegeven: dat hij de mensen van de bruid in zijn dagen aan Jezus zou voorstellen. II Korinthe 11:2: "Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb u toebereid, om u als een reine maagd aan één man voor te stellen, namelijk aan Christus." Zo zal het met iedere boodschapper zijn, die trouw is geweest aan het Woord van zijn uur en zijn tijdperk. Zo zal het ook in de laatste dagen zijn. Het zal hetzelfde bijzondere loon zijn, dat aan Paulus gegeven werd. Ik denk, dat de meesten van u zich herinneren dat ik gezegd heb, dat ik altijd bang ben geweest te sterven, zodat ik de Heer zou ontmoeten en Hij geen behagen in mij zou hebben, daar ik tegenover Hem zo vaak tekort ben geschoten. Wel, op een morgen toen ik nog in bed lag, dacht ik daar weer aan toen ik plotseling werd opgetrokken in een heel opmerkelijk visioen. Ik zei, dat het heel opmerkelijk was, want ik heb duizenden visioenen gehad en nooit scheen ik mijn lichaam te verlaten. Maar nu werd ik opgetrokken; en ik keek achterom om mijn vrouw te zien, en ik zag mijn lichaam daar naast haar liggen. Toen bevond ik mij in de mooiste plaats die ik ooit gezien heb. Het was een paradijs. Ik zag hele menigten van de mooiste en gelukkigste mensen die ik ooit gezien heb. Ze zagen er allemaal zo jong uit – ongeveer 18 à 21 jaar. Er was geen grijze haar of rimpel of andere mismaaktheid onder hen. De jonge vrouwen hadden allemaal haar dat tot hun middel neerhing, en de jonge mannen waren knap en sterk. O, hoe verwelkomden zij mij! Ze drukten mij aan hun hart en noemden mij hun lieve broer, en zeiden steeds maar hoe blij ze waren, dat ze me zagen. Toen ik mij afvroeg, wie al die mensen waren, zei iemand naast mij: "Dit zijn uw mensen."

Ik was zo verwonderd dat ik vroeg: "Zijn dit allemaal Branhams?"

Hij zei: "Neen, het zijn uw bekeerlingen." Toen wees hij naar één der vrouwen en zei: "Ziet u die jonge vrouw, die u zoëven bewonderde? Ze was 90 jaar toen u haar voor de Here won."

Ik zei: "O heden, en dan te bedenken dat ik daar nu juist bang voor was."

De man zei: "Wij rusten hier terwijl we wachten op de komst van de Heer."

Ik antwoordde: "Ik wil Hem zien."

Hij zei: "U kunt Hem nu nog niet zien; maar Hij komt spoedig, en wanneer Hij komt, zal Hij eerst tot u komen, en u zult geoordeeld worden naar het Evangelie dat u gepredikt hebt, en wij zullen uw onderdanen zijn."

Ik zei: "Bedoelt u, dat ik voor al deze mensen verantwoordelijk ben?"

Hij zei: "Voor een ieder. U bent geboren om een leider te zijn."

Ik zei hem: "Zal iedereen verantwoordelijk zijn? Hoe is het met Paulus?"

Hij antwoordde mij: "Die zal verantwoordelijk zijn voor zijn dagen."

"Wel", zei ik, "ik heb hetzelfde Evangelie gepredikt dat Paulus gepredikt heeft." En de menigte riep: "Daar rusten wij op!"

Ja, ik kan zien dat God een bijzonder loon gaat geven aan Zijn boodschappers die zich trouw hebben gekweten van de verantwoordelijkheid, die Hij op hen gelegd heeft. Als zij de openbaring van het Woord voor dat tijdperk ontvangen hebben en die trouw gepredikt hebben in hun dagen en geleefd hebben naar wat zij predikten, dan zullen zij een groot loon ontvangen.

Laten we nu, terwijl we dit in gedachten houden, weer naar dit vers kijken. "Ik zal hem het verborgen manna geven." We weten allemaal, dat het manna engelenbrood was; God liet het op het gras neerdalen voor Israël ten tijde van haar omzwervingen. Het was volmaakte spijze. Het was verbazingwekkend, hoe die kleine spijskorrels hen volledig gezond hielden. Niemand werd er ziek. Het was alles wat ze nodig hadden. Toen de ark werd gemaakt, deden ze er wat van dat manna in. Toen werd de ark achter het voorhangsel geplaatst en alleen de hogepriester kon haar slechts benaderen en dan moest hij nog offerbloed bij zich hebben. Het Brood uit de hemel, dat door manna was gesymboliseerd, kwam eenmaal uit de hemel neer en werd Leven voor allen die in Hem geloven. Hij zei: "Ik ben het Brood des Levens. Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; indien iemand van dit brood zal eten, zal hij eeuwig leven." Toen Hij heenging liet Hij ons Zijn Woord na: "De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door de mond Gods uitgaat."

Zijn Woord was brood. Het was het volmaakte manna; als een man daarbij leeft, zal hij nimmer sterven. Maar direct na de dood van de vaderen scheen niemand de juiste waarheid meer te weten en binnen niet al te lange tijd scheen dit manna verborgen te zijn geworden voor de mensen. Maar in ieder tijdperk begon God door openbaring terug te geven wat verborgen was, totdat in deze laatste dagen een profeet zal komen volgens Openbaring 10:7, die al de geheimenissen zal onthullen, en dan zal de Heer komen. Welnu, ik zeg dat in ieder tijdperk de boodschappers verborgen waarheid ontvingen. Maar zij ontvingen die niet alleen voor zichzelf. Maar het is, zoals toen aan de discipelen gevraagd werd brood en vis op te dienen aan de scharen; Jezus gaf hun het gebroken brood, maar zij gaven het op hun beurt aan de mensen. God geeft Zijn verborgen manna aan de overwinnaar. Het kan niet anders. Hij zal Zijn schatten niet openen voor hen, die verachten wat alreeds is geopenbaard.

Wat ik gezegd heb over de boodschapper van elk tijdperk, die van God iets van de oorspronkelijke waarheid ontvangt, wordt afgebeeld in het Oude Testament, waar Mozes het bevel kreeg een gomer manna te nemen en dat in een gouden vat achter het voorhangsel van het Heilige der Heiligen te plaatsen. Daar kon de hogepriester van iedere generatie binnengaan met offerbloed. Dan kon hij een klein deel van dit manna nemen (want het bedierf niet), dat een deel was van het oorspronkelijke en het opeten. Nu gaf God in ieder tijdperk aan de boodschapper van de Heer voor dat tijdperk de openbaring van God voor die bepaalde periode. Wanneer de boodschapper eenmaal verlicht was door de waarheid, bracht hij die waarheid aan de mensen. Zij, van wie de oren geopend waren door de Geest, zouden die waarheid horen, haar geloven en er naar leven.

Nu dan, daar hebt u ook de gedachte van het toekomstige deelhebben aan het verborgen manna. Ik denk, dat het het eeuwig deelnemen zal zijn aan de openbaring van Jezus Christus in de eeuwige eeuwen die komen. Hoe zouden we anders de ondoorgrondelijke rijkdommen van Zijn eigen Wezen gaan kennen? Alles wat we hebben begeerd te weten, al onze onbeantwoorde vragen, dat alles zal geopenbaard worden. Wij zullen het ontvangen van Christus, Die ons leven is. O, soms denken we dat we een beetje van Hem beginnen te weten en van Zijn Woord hier, en het is zo goed, dat maakt ons blij; maar eens, wanneer ons vlees veranderd wordt, zullen dat Woord en Hij worden wat we nooit voor mogelijk hadden gehouden.

Er staat hier ook, dat Hij de overwinnaar een witte steen gaat geven en in (niet op) de steen een nieuwe naam, die alleen de bezitter kent. Nu is de gedachte aan een nieuwe naam ons vertrouwd. Abram werd veranderd in Abraham, Saraï in Sara, Jakob in Israël, Simon in Petrus en Saulus in Paulus. Of deze namen brachten een verandering teweeg, of zij werden gegeven doordat er een verandering plaatsvond. Pas nadat Abrams en Saraï's namen door de Heer veranderd waren, werden zij toebereid, de komende zoon te ontvangen. In Jakobs geval moest hij overwinnen, en toen werd hij een vorst genoemd. In het geval van Simon en Saulus was het zo, dat de verandering kwam toen zij de Heer hadden aangenomen. Vandaag heeft ieder van ons, ware gelovigen, een naamsverandering ondergaan. We zijn Christenen geworden. Het is een naam, die wij allen gemeen hebben; maar eens zullen we nog een andere verandering meemaken; we zullen voorzeker een nieuwe naam ontvangen. Het zou best kunnen zijn, dat die naam onze ware en oorspronkelijke naam was, die geschreven staat in het Boek des Levens van het Lam van de grondlegging der wereld af. Hij kent de naam, maar wij niet. Op zekere dag echter zullen naar Zijn welbehagen ook wij die naam kennen.

Een witte steen. Hoe schoon. Ook dit is weer een beeld van de heilige, die loon ontvangt uit de hand van God voor zijn beproevingen op aarde. U weet, dat de valse kerk na Constantijn haar hand in de staats-schatkist kon steken en daardoor mooie gebouwen kon opzetten, vol fraaie beelden. Deze beelden, gemaakt van wit marmer, waren in werkelijkheid Romeinse afgoden, die een naam van een of andere heilige hadden gekregen. De kerken waren met al hun pracht en praal uitzonderlijk mooi, zoals u ook vandaag nog kunt zien. Maar God was niet met hen. Waar was God? Hij was bij Zijn heiligen in een of ander huisje of in een grot, of in een woest en bergachtig gebied, waar zij zich verscholen voor de leden van de valse kerk. Zij hadden geen mooie gebouwen, geen in lange klederen gehulde zangkoren, of andere wereldlijke attracties. Maar nu heeft God in deze bijzondere belofte aan de ware gelovigen van alle tijdperken beloofd, dat Hij hun loon zal geven van grote schoonheid, die blijvend zal zijn. Laten de rijken maar neerzien op de armen. Laten zij grote sommen aan de kerk geven, zodat zij op haar beurt de gever kan eren door een marmeren gedenksteen of een of ander beeld te hunner ere aan te brengen, op een plaats waar iedereen het kan zien, zodat allen hun lof zullen toezwaaien. Eens zal de God, Die alles ziet en weet, wederom de weduwe prijzen, omdat zij alles gegeven heeft, al zijn het maar twee penninkjes, en Hij zal ze belonen met de schatten des hemels.

Ja, verborgen manna en een nieuwe naam in een witte steen. Hoe goed is de Heer voor ons om ons op zo'n wonderbare wijze te belonen, terwijl wij het zo onwaardig zijn. O, ik wil te allen tijde gereed zijn om Zijn wil te doen en om schatten te verzamelen in de hemel.

Deze site maakt gebruik van functionele cookies.

Download
E-Book
E-BookE-Book
ePub Download ePubePub is de meest gangbare formaat voor E-Book readers. Het heeft geen absolute paginaindeling. meer info...
English (Engels)