Hoofdstuk 7

Het tijdperk van de gemeente van Sardis - Openbaring 3:1-6

Openbaring 3:1-6:

1 En schrijf aan de engel der gemeente die te Sardis is: Dit zegt, Die de zeven Geesten Gods heeft, en de zeven sterren: Ik weet uw werken, dat gij de naam hebt, dat gij leeft, en gij zijt dood.

2 Weest wakende, en versterk het overige, dat sterven zou; want Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God.

3 Gedenk dan, hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Indien gij dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal.

4 Doch gij hebt enige weinige namen ook te Sardis, die hun klederen niet bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte klederen, aangezien zij het waardig zijn.

5 Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het Boek des Levens, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.

6 Die een oor heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt.

Sardis

Sardis was de hoofdstad van het oude Lydië. Het ging van de Lydische monarchen over op de Perzen en vandaar op Alexander de Grote. Het werd geplunderd door Antiochus de Grote. Daarna voerden de koningen van Pergamus er de heerschappij totdat de Romeinen de macht in handen kregen. Ten tijde van Tiberius werd het verwoest door aardbevingen en plagen. Thans is het een onbewoonde ruïne.

De stad was eens een belangrijk handelscentrum. Plinius zegt, dat de kunst van het wolverven hier werd ontdekt. Het was het centrum van de wolververij en tapijtweverij. Het bezat aanzienlijke hoeveelheden zilver en goud in het gebied en men zegt, dat hier de eerste gouden munten zijn geslagen. Er was ook een slavenmarkt.

De godsdienst van deze stad was de onkuise verering van de godin Cybele. De massieve ruïnes van de tempel zijn thans nog te bezichtigen.

U zult zich herinneren, dat ik in het Pergamus tijdperk vermeldde dat de Babylonische gedachte aan een "moeder en zoon", bekend als Semiramis en Ninus, de Cybele en Deoius van Azië werd. De eigenschappen, die deze twee werden toegekend, zijn zeer verhelderend wanneer wij ze naast elkaar bezien.

Hij was de zonnegod; zij de maangodin.

Hij was de heer des hemels; zij de koningin des hemels.

Hij openbaarde goedheid en waarheid; zij vriendelijkheid en genade.

Hij de bemiddelaar; zij de bemiddelares.

Hij met de sleutel die de poorten der onzichtbare wereld opent en sluit; en zij doet met een soortgelijke sleutel hetzelfde.

Hij als de rechter van de doden; zij als een die aan zijn zijde staat.

Hij is na gedood te zijn opgestaan en ten hemel gevaren; zij is daar lichamelijk naar toe gedragen door de zoon.

Welnu, in Rome wordt aan deze zelfde god de titel van onze Heer gegeven. Hij wordt de zoon van God genoemd, terwijl zij de moeder van God wordt genoemd.

Wel, dit vonden we ook terug in de beide andere tijdperken, waar de "moeder en zoon" gedachte enorme proporties aannam. Merk nu op dat, zoals het daar in het oude Babylonië was, dat de aanbidding van de zoon begon te verminderen ten gunste van de moeder, zo begon ook zij letterlijk de plaats van de zoon in te nemen. We zien dat in dit tijdperk de heidense aanbidding van Sardis bestond uit de aanbidding van de vrouw. Het is alleen Cybele en niet Cybele en Deoius. De moeder heeft letterlijk de plaats van de zoon ingenomen, begiftigd met de verdiensten van de Godheid. Alles wat men behoeft te doen, is haar verscheidene titels na te gaan en zich de lieflijke hoedanigheden, welke de Rooms-katholieke kerk aan Maria heeft toegekend, voor de geest te halen, om te begrijpen waar de godsdienst van dit tijdperk vandaan komt.

Twee dingen troffen mij bijzonder toen ik deze verering van Cybele onderzocht. Allereerst droeg zij een sleutel evenals Janus, waardoor haar dezelfde macht gegeven werd als Janus (sleutel van hemel en aarde en mysteriën) en ten tweede dat de aanbidders zichzelf geselden totdat het bloed uit hun lichaam vloeide, wat juist in onze dagen wordt gedaan door de Katholieken, die voelen dat zij als onze Heer moeten lijden.

Het feit, dat dit het tijdperk is van de eerste werkelijke breuk met het pauselijk Rome, dat toen juist bloeide, was ongetwijfeld de oorzaak dat de profetes Izebel haar leerstelling van de Marialogie consolideerde en benadrukte; dit, in vastberaden oppositie tegen de Protestanten, die ontkenden dat zij ook maar enig aandeel had in het plan der verlossing, behalve dan haar genade voor God als de maagd, die gekozen werd om de Baby te baren. Terwijl Luther de leer van de rechtvaardigmaking uit het geloof uitsprak, hield zij vast aan werken, boetedoening, gebeden en andere onschriftuurlijke middelen. En terwijl de verloste Christenen de Zoon verheerlijkten, verhoogden de Rooms-katholieken hun vergoddelijking van Maria, totdat de twintigste eeuw, ondanks tegenstand van de meest vooraanstaande theologen, aanschouwde dat paus Pius letterlijk Maria verhoogde tot heerlijkheid in een verrezen lichaam. Die leerstelling stamt regelrecht uit Babylonië, waar de zoon de moeder lichamelijk ten hemel opvoert.

Geen wonder dat dit vijfde tijdperk dezelfde kant opgaat als de andere tijdperken, en dat dit zo door zal gaan totdat het uitloopt op de poel des vuurs, waar de hoer en haar kinderen gedood worden in de tweede dood. Ziedaar de Marialogie, de aanbidding van Cybele. Tussen twee haakjes, wist u dat Cybele de Astarte was waarvan Izebel priesteres was? Zij was er de oorzaak van dat Israël struikelde door de losbandige riten, die zij leidde. Jazeker, dat is zij volgens de Bijbel.

Het tijdperk

Het vijfde tijdperk, dat van Sardis, duurde van 1520 tot 1750. Gewoonlijk wordt het het tijdperk van de Reformatie genoemd.

De boodschapper

De boodschapper aan dit tijdperk is de meest bekende van alle tijdperken. Het was Maarten Luther. Luther was een briljant geleerde en zachtmoedig van aard. Terwijl hij nog rechten studeerde waren een slepende ziekte en de dood van een goede vriend er de oorzaak van, dat hij zich ging bekommeren om de geestelijke toestand van zijn leven. Hij trad toe tot het Augustijner klooster te Erfurt in 1505. Aldaar studeerde hij in de filosofie en ook in het Woord van God. Hij leidde een leven van zeer strenge boetedoening, maar al zijn uiterlijke handelingen konden zijn besef van zonde niet uitbannen. Hij zegt zelf: "Ik folterde mij ten dode toe om vrede met God te krijgen, maar ik was in de duisternis en vond hem niet." De vicaris generaal van zijn orde, Von Staupitz, bracht hem tot het inzicht, dat zijn redding een ervaring van binnen uit zou moeten zijn in plaats van een ritueel. Met deze bemoediging ging hij voort en zocht God. Later werd hij priester. Toen was hij nog niet gered. Hij werd een gretig en diep onderzoeker van het Woord en van de grote theologische werken, die er waren. Hij was een gezocht leraar en prediker vanwege zijn diepe kennis en grote oprechtheid. Teneinde een gelofte te vervullen, die hij zich had opgelegd, ging hij naar Rome. Daar zag hij de nutteloosheid in van de door de kerk opgelegde werken, die verlossing zouden moeten brengen, en het Woord van God trof zijn hart. "De rechtvaardige zal uit geloof leven." Toen hij terugkeerde naar zijn land overstroomde de Evangelische waarheid van dit Schriftwoord zijn denken; hij werd verlost van zonde en geboren in het Koninkrijk van God. Spoedig hierna werd hij verheven tot Doctor in de theologie en aangesteld "om zijn gehele leven te wijden aan de studie en de getrouwe uitleg en aan het verdedigen van de Heilige Schrift." Het gevolg hiervan was, dat hij, en met hem vele anderen stevig gefundeerd werden op de waarheid van het Woord. Het Woord kwam spoedig openlijk in conflict met de misbruiken van de kerkelijke belijdenissen en leerstellingen.

Toen Leo X dan ook paus werd en Johannes Tetzel aflaten voor de zonde kwam verkopen, had Luther geen andere keus, dan tegen deze anti-Schriftuurlijke leer op te komen. Eerst donderde hij ertegen, vanaf de kansel en vervolgens schreef hij zijn befaamde 95 stellingen, die hij op 31 oktober 1517 aan de deur van de slotkapel spijkerde.

In korte tijd stond Duitsland in vuur en vlam en begon de Reformatie. Laten we er echter wel aan denken, dat Maarten Luther niet de enige was die tegen de Rooms-katholieke kerk had geprotesteerd. Hij was slechts één van de velen. Anderen hebben de eigengereide wereldlijke en geestelijke macht der pausen geloochend, en zelfs onder de pausen waren er kleine tijdelijke hervormingen. Ja, er waren vele anderen, die strijdvragen opwierpen, maar in Luthers geval was Gods tijd rijp voor een definitieve beweging, die het begin zou zijn van het herstel van de gemeente tot een uitstorting van de Heilige Geest op een veel latere datum.

Maarten Luther was zelf een gelovig, met de Geest vervuld Christen. Hij was beslist een man van het Woord, want niet alleen kende hij een diep verlangen om het te onderzoeken, maar ook om het binnen het bereik te brengen van allen, opdat allen erdoor zouden leven. Hij vertaalde het Nieuwe Testament en schonk dit aan het volk. Dit veel omvattende werk deed hij zelf; soms corrigeerde hij een passage twintig maal. Hij verzamelde om zich heen een aantal geleerden in de Hebreeuwse taal, waaronder Joden, en vertaalde het Oude Testament.

Dit monumentale werk van Luther is nog steeds het standaardwerk, waarop alle latere werken van de Schrift in het Duits zijn gebaseerd.

Hij was een krachtig prediker en leraar des Woords en drong, in het bijzonder gedurende de eerste jaren van zijn openbare bekendheid, erop aan dat het Woord het enige criterium was. Zo was hij tegen werken als middel tot zaligheid en doop als middel tot wedergeboorte. Hij leerde het middelaarschap van Christus zonder de mens, zoals de oorspronkelijke opvatting van Pinksteren was. Hij was een man van veel gebed en hij had geleerd dat hoe meer werk hij te doen had en hoe meer tijd hij te kort kwam, hoe meer hij van zijn tijd aan God ging geven voor gebed om bevredigende resultaten te verzekeren. Hij wist wat het betekende om tegen de duivel te strijden. Men zegt dat Satan hem eens zichtbaar is verschenen; hij gooide hem toen de inktpot naar zijn hoofd en beval hem te verdwijnen. Een andere keer kwamen twee fanatici naar hem toe om hem ertoe te bewegen zich bij hen aan te sluiten en alle priesters en Bijbels te verbannen. Hij onderscheidde de geest, die in hen was en zond hen weg.

In Sauer's History deel 3, pag. 406, staat vermeld dat Dr. Maarten Luther een profeet, evangelist, spreker in tongen en vertolker was in één persoon, begiftigd met alle negen gaven van de Geest.

Wat zijn hart beroerde door de Heilige Geest en wat de kleine loot was, die aantoonde dat de waarheid bezig was terug te keren naar de gemeente, zoals ze op de Pinksterdag bekend was, was de leer der rechtvaardiging: verlossing uit genade, zonder werken. Ik erken dat Dr. Luther niet uitsluitend rechtvaardiging geloofde en predikte, maar dit was wel zijn hoofdthema, en terecht, want dat is de fundamentele leer van de waarheid van het Woord. Hij zal voor altoos bekend staan als het instrument in de hand van God, dat deze waarheid weer heeft doen opleven. Hij was de vijfde boodschapper en zijn boodschap was deze: "DE RECHTVAARDIGE ZAL UIT GELOOF LEVEN." Zeker, wij geven toe dat hij wist en leerde dat wij van geloof tot geloof moeten gaan. Zijn wonderbaar inzicht in soevereiniteit, uitverkiezing, predestinatie en andere waarheden doen ons hem zien als een groot man in het Woord; toch zeg ik weer, evenals de geschiedkundigen, dat God hem gebruikt heeft om het volk Gods stelregel tegen werken te leren – "de rechtvaardige zal uit geloof leven."

Zoals ik reeds heb vermeld, wordt dit tijdperk door de geschiedschrijvers het "tijdperk van de Reformatie" genoemd. Dat is geheel juist. Dat was het ook. Het moest dat wel zijn, want Maarten Luther was een hervormer, geen profeet. Nu weet ik, dat het geschiedenisboek hem een profeet noemt, maar dat houdt nog niet in dat het geschiedenisboek het bij het rechte eind heeft, want er is geen vermelding van Maarten Luther, die doet uitkomen, dat hij een waar profeet van God is in de betekenis die de Schrift aan dat woord geeft. Hij was een goed leraar met enige van de uitingen des Geestes in zijn leven en wij prijzen God daarvoor. Daarom kon hij de gemeente niet terugvoeren tot de gehele waarheid, wat een man als Paulus, die zowel apostel als profeet was, wel kon.

Naarmate de tijd verstreek, kunnen we een grote verandering bemerken in de wijze waarop hij de zaken, waarin hij betrokken was regelde. Aanvankelijk was hij zo vriendelijk, zo zonder vrees, zo geduldig en voortdurend wachtend op God als hij de problemen moest aanpakken. Maar daarna begonnen grote scharen mensen zich onder zijn banier te scharen. Hun bedoeling was niet echt geestelijk. Zij hadden eerder politieke overwegingen. Zij wilden het juk van de paus verbreken. Zij hielden er niet van geld naar Rome te moeten sturen. Fanatici stonden op. Spoedig raakte hij verwikkeld in politieke kwesties en in besluiten, die feitelijk niet behoorden tot het gemeentewerk, behalve dat de kerk door gebed, prediking en wandel een standaard zou kunnen oprichten waar men op zien kon. Deze politieke problemen groeiden, zodat hij in een onhoudbare positie werd gedwongen doordat hij moest bemiddelen tussen landheren en boeren. Zijn beslissingen waren zo verkeerd, dat een oproer uitbrak en duizenden gedood werden. Hij bedoelde het goed, maar nadat hij zich eenmaal verstrikt had in een "Kerk en Staat" evangelie, moest hij er de vruchten van plukken.

Maar ondanks dat alles heeft God Maarten Luther gebruikt. Laat niemand zeggen, dat zijn bedoelingen verkeerd waren. Laat er alleen gezegd worden dat zijn oordeel faalde. Werkelijk, als de Lutheranen terug konden keren naar zijn onderricht en God dienen zoals deze begenadigde broeder Hem gediend heeft, dan zou dat volk waarlijk tot eer en lof van de grote God en Heiland, Jezus Christus, zijn.

De aanhef

Openbaring 3:1:

En schrijf aan de engel der gemeente die te Sardis is: Dit zegt, Die de zeven Geesten Gods heeft, en de zeven sterren.

Opnieuw, evenals in de vorige vier tijdperken, openbaart de Geest onze liefdevolle Heiland aan ons door Zijn wonderbare hoedanigheden naar voren te brengen. Ditmaal zien wij Hem, terwijl Hij daar temidden van de gemeente staat, als de Ene met de zeven Geesten Gods en de zeven sterren. Wij weten wie de zeven sterren zijn, maar we zullen nog moeten nagaan, waarop de zeven Geesten betrekking hebben.

Deze zelfde zinsnede komt viermaal in het boek Openbaring voor. Openbaring 1:4: "... van de zeven Geesten, Die voor Zijn Troon zijn." Openbaring 3:1: "Dit zegt, Die de zeven Geesten Gods heeft." Openbaring 4:5: "En van de troon gingen uit bliksemen, en donderslagen, en stemmen; en zeven vurige lampen waren brandende voor de troon, welke zijn de zeven Geesten Gods." Openbaring 5:6: "En ik zag, en ziet, in het midden van de troon, en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, een Lam, staande als geslacht, hebbende zeven hoornen, en zeven ogen; welke zijn de zeven Geesten Gods, Die uitgezonden zijn in alle landen."

Om mee te beginnen, wij weten met zekerheid, dat deze verzen geen nieuwe leerstelling verkondigen, die in strijd is met Johannes 4:24a: "God is een (ÉÉN) Geest." Het is als I Korinthe 12:8–11, waar we zien dat ÉÉN Geest Zich op NEGEN manieren openbaart. Wij weten dus, dat "de zeven Geesten Gods" betekent, dat het één en dezelfde Geest is, Die Zich uit op een zevenvoudige wijze. Welnu, in Openbaring 4:5 worden deze zeven Geesten, zeven vurige lampen genoemd, brandende voor de Heer. Daar Johannes uitsluitend Oudtestamentische symbolen gebruikte in de Openbaring gaan wij naar het Oude Testament en zien uit Spreuken 20:27, dat "de geest van de mens een lamp des HEREN is". Deze zeven Geesten zijn dus klaarblijkelijk verbonden aan mensen. Johannes de Doper werd in Johannes 5:35 "een brandende en schijnende lamp" genoemd. In Openbaring 5:6 worden de zeven Geesten vereenzelvigd met zeven ogen. In Zacharia 4:10 staat: "Want wie veracht de dag der kleine dingen? Zij zullen zich verblijden, als zij het paslood zien in de hand van Zerubbabel. – Deze zeven zijn de ogen des HEREN, die de ganse aarde doorlopen." (Nieuwe vertaling). Het is heel duidelijk dat het woord "zij" op mensen betrekking heeft. Wij zien dus, dat de ogen des Heren in dit geval mensen zijn – natuurlijk zullen het gezalfde mensen zijn, vol van de Heilige Geest, want Gods dienaren staan niet in menselijke kracht, maar in de kracht des Heiligen Geestes. Voegen wij onze Schriftuurlijke ontdekkingen tezamen, dan is het heel duidelijk dat de zeven Geesten Gods betrekking hebben op de opeenvolgende bediening van dezelfde Geest in de levens van zeven mensen, met wie God Zich intiem vereenzelvigt. Deze zijn Zijn ogen en Zijn lampen. Wie deze zeven mannen zijn, is eenvoudig te zien als we het volgende vers lezen waar staat dat ze de zeven sterren zijn; en wij weten reeds dat dit de zeven boodschappers zijn aan de zeven tijdperken. Wat is dat mooi! Kijk, de ster werd bedoeld om 's nachts licht te weerkaatsen, want de zon is er niet meer. Zo moest ook de boodschapper (voorgesteld als een ster) aan ieder tijdperk het licht van de Zoon weerspiegelen. Zij deden dit allen door de Heilige Geest.

Paulus was de eerste boodschapper en hij zei in Galaten 1:8, dat indien een engel, een boodschapper, een vicaris, het doet er niet toe wie het was, een ander evangelie zou prediken dan Paulus gepredikt had, die zij vervloekt. Paulus wist, dat, wanneer hij zou zijn heengegaan, grimmige wolven zouden binnendringen. Hij wist dat Satan zelf zou verschijnen als een engel des lichts; hoeveel temeer dus zijn dienaren. Hij waarschuwt dus dat dit Evangelie altijd gelijk moest blijven. Welnu, Paulus doopte in de Naam van Jezus en herdoopte diegenen, die niet zo waren ondergedompeld. Hij stelde de gemeente op orde en leerde de zuivere toepassing van de gaven des Geestes, en bevestigde, dat zij in de gemeenten behoorden te blijven, totdat Jezus wederkwam. Zo moesten dus de boodschappers na hem, de zes overige, door dezelfde Heilige Geest, met het zelfde vuur branden en hetzelfde licht geven van het Evangelie van Jezus Christus, en de tekenen zouden hen volgen. Voldeed Irenaeus? Ja. En Martinus? Ja. Columba? Ja. Maarten Luther? Ja, zeer zeker. Wesley? En of, hij had een grootse bediening en bad zelfs voor zijn paard, dat het genezen zou worden en het gebeurde. Ziedaar, zeven tijdperken en zeven boodschappers, die gelijk waren, en Paulus sprak een vervloeking uit over een ieder, die beweerde dat hij een boodschapper (engel) was, terwijl hij een ander evangelie verkondigde en in een ander licht leefde.

Welnu, komt die laatste uitspraak van mij overeen met het overige Woord? Ja. Er staat in het Woord dat, indien iemand aan dit boek toevoegt of er van afneemt, hij tot verdoemenis toe door God bezocht en veroordeeld zal worden. God heeft gezegd: "Indien iemand tot deze dingen toedoet, God zal hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn. En indien iemand afdoet van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het Boek des Levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is." Openbaring 22:18b–19.

Wij zien dus, dat de zeven Geesten in feite duiden op de Ene Geest Gods, Die de wil en het Woord van God in verschillende generaties uitwerkt. Ik zou dit willen illustreren, vanuit het Woord. De Geest van God rustte op machtige wijze op Elia. Toen kwam de Geest op Eliza in een tweevoudige uitwerking met een dubbel deel. Eeuwen later kwam diezelfde Geest, Die wij de Geest van Elia noemen om zijn bediening te beschrijven, terug op Johannes de Doper. Eens zal diezelfde Geest, te herkennen door dezelfde soort bediening, op een man komen voor het tijdperk der heidenen ten einde is gekomen. Nogmaals: de Schrift zegt, dat God Jezus van Nazareth zalfde met de Heilige Geest en met kracht en dat Hij rondging goed doende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren. Toen Jezus heenging zei Hij Zijn discipelen, dat ze moesten wachten tot Pinksteren; dan zou dezelfde Geest, Die op Hem rustte wederkomen en op hèn vallen en hèn vervullen. Dan zou dat "eruitgeroepen" lichaam (de gemeente) in Zijn plaats op aarde zijn, Zijn plaats innemende. En omdat diezelfde Geest, Die in Hem was, op hen zou zijn, zouden zij precies dezelfde werken doen. En elk volk, dat waarlijk het lichaam van Jezus Christus is (de ware gemeente), zal dezelfde werken openbaren als Jezus en de Pinkstergemeente, omdat dezelfde Geest in hen zal zijn. Iedere andere gemeente, die de Geest niet heeft en de uitingen daarvan zal voor God rekenschap moeten afleggen.

Hier wordt tevens gezegd, dat deze zeven sterren, of zeven boodschappers, in Zijn hand zijn. Hij houdt hen vast. U weet meteen dat zij, als zij in Zijn hand zijn, in verbinding staan met Zijn kracht. Dat is wat de hand aanduidt. Zij duidt de kracht Gods aan en het gezag Gods. Niet één van hen kwam in zijn eigen kracht of gezag. Dat heeft Paulus gezegd. Niemand zou het durven. Daarvoor is het gezag van God en de kracht van de Heilige Geest nodig. Het Evangelie wordt gepredikt door Gods gezag in de kracht van de Heilige Geest. Al deze mannen hadden kracht ontvangen door de Heilige Geest. Zij allen hebben het opgenomen tegen de wereld. Zij konden dat doen. Zij waren vol van God. Zij waren door God GEZONDEN of gemachtigd en NIET door mensen; ook waren zij niet uit eigen beweging uitgegaan.

Welnu, zij hadden dat wat de wereld niet kon hebben. Jezus heeft gezegd dat wanneer Hij zou heengaan Hij Zijn Geest zou sturen, Die de wereld niet kan ontvangen. Dat is juist. De wereld of de stelsels dezer wereld konden Hem niet ontvangen. En zo zijn de denominaties stelsels van deze wereld. Toon mij een kerk gelijkvormig aan zo'n wereldstelsel, die vol is van de Heilige Geest. Dat zou ik wel eens willen zien. Als u mij zo'n kerk kunt tonen, dan vindt u een fout in het Woord. O neen, niet één van die boodschappers was georganiseerd. Zij werden of eruit gezet of gingen eruit omdat zij overtuigd waren van de zonde van organisatie. Hoe kan de Heilige Geest ooit in een organisatie zijn, terwijl het de organisatie is, die de plaats van de Geest inneemt en de denominaties het Woord opzijdringen? Onthoudt het: "Organisatie" betekent de "DOOD". Het kan niet anders zijn. Zodra de wereld overheerst, gaat de Geest heen.

Ja, de Geest is niet zeven Geesten, maar ÉÉN. Hij zal altijd dezelfde zijn en op dezelfde wijze handelen. En de zeven boodschappers zullen dezelfde Geest hebben en hetzelfde Woord onderwijzen en dezelfde kracht hebben. En indien de gemeente de ware gemeente is, zal zij precies dezelfde Geest en precies hetzelfde Woord en dezelfde krachtige werken hebben als op de Pinksterdag. Door ervaring zal zij een Pinkstergemeente zijn; en er zullen tongen en vertolking en profetie en genezing zijn. God zal in haar midden zijn en God zal Zichzelf in haar midden openbaren, zoals Hij dat altijd gedaan heeft. Halleluja! En zij zal NIET georganiseerd zijn. Vergeet dat niet.

Nu kunnen wij zien, dat Jezus Christus Zich door de eeuwen heen openbaart in de boodschappers door Zijn Geest. Zij zijn wat Mozes was voor de kinderen Israëls. Zoals hij de openbaring doorgaf voor zijn dagen, zo zal ook iedere boodschapper Gods openbaring hebben voor de tijd waarin hij leeft. Wanneer we dus zien, dat de boodschappers in Zijn hand zijn, dan zien we dat de Heer Zich vereenzelvigt met deze mannen en hun Zijn kracht schenkt. Het is niet voldoende dat Hij Zich verbonden heeft met de gehele gemeente, wat wij zagen toen we Hem temidden van de zeven gouden kandelaren zagen staan. Evenmin is het voldoende, dat wij de vijfvoudige bediening zien van Efeze 4 (apostelen, profeten, leraars, evangelisten en herders). Want in ieder tijdperk dwaalt de gemeente af, en het zijn niet alleen de leken, maar ook de geestelijken die fout zijn – herders zowel als schapen zijn verkeerd. Dan komt God Zelf op het toneel als de Opperste Herder in de bedieningen van de zeven mannen, om Zijn volk terug te voeren tot de waarheid en de overvloedige kracht van die waarheid. God is in Zijn volk – Zijn gehele volk, want indien iemand de Geest van Christus niet heeft, behoort hij Hem niet toe. En Hij is het Woord. Dat zou inhouden, dat het Woord herkend wordt in Zijn volk. Maar Hij heeft een bijzonder leiderschap aan deze mannen van Zijn eigen keuze gegeven door het raadsbesluit van Zijn eigen wil. Zij verschijnen eenmaal in ieder tijdperk. Het is dezelfde Geest in hen. Wat is dit ver verwijderd van de ketterij van Rome. Zij hebben een man naar eigen keuze – de een na de ander – niet één die de kracht van God voortbrengt – niet één die zich aan het Woord van God houdt – elkeen met een andere opvatting dan zijn voorganger, terwijl hij toevoegt aan het Woord naar eigen believen alsof hij God is. God is er niet in te vinden. Maar Hij is te vinden in Zijn boodschapper, en hij die de volheid van God wil hebben zal de boodschapper volgen, zoals ook de boodschapper een volgeling is van de Here door Zijn Woord.

"Dit zegt, Die de zeven Geesten Gods heeft, en de zeven sterren." Openbaring 3:1. Zoals dezelfde Heer Zich vereenzelvigde met de mens in de vleeswording, zo vereenzelvigt Hij Zich opnieuw met de mens door Zijn Geest in de mens. "Dezen behoren Mij toe", zegt de Here. De zeven met de Geest vervulde boodschappers zijn des Heren. Men kan hen verstoten. Men kan hen in twijfel trekken. Ja werkelijk, volgens menselijke gedachten schijnen zij niet eens in aanmerking te komen – nochtans zijn zij de boodschappers aan hun tijdperk. God gebruikte een Abraham (hij loog), Hij gebruikte een Mozes (deze was opstandig), een Jona (deze was ongehoorzaam), een Simson (hij zondigde), een David (hij pleegde een moord). Hij gebruikte ook een Jozua en een Jozef. En degenen aan wie ernstige smetten gekleefd hebben, overtreffen in aantal verreweg hen van wie de levensloop volmaakt schijnt te zijn. ALLEN WAREN EN ZIJN DE ZIJNEN. Dat zal niemand durven ontkennen. Hij gebruikte hen door de Heilige Geest, Die Hij in hen heeft doen wonen. Voor hun Heer stonden of vielen zij. In hen allen werd de soevereine wil van God volbracht. Laat de geschiedenis proberen dit te weerleggen: het feit blijft bestaan. De Eeuwige God wandelt nog steeds temidden van de gouden kandelaren en zendt Zijn boodschappers door Zijn Geest met het Woord tot het volk van ieder tijdperk.

De aanklacht

Openbaring 3:1b:

Ik weet uw werken, dat gij de naam hebt, dat gij leeft, en gij zijt dood.

Openbaring 3:2b: "Want Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God." Hier is nu waarlijk iets heel vreemds. Tot dusver heeft de Geest in ieder tijdperk allereerst de ware gelovigen geprezen en daarna de valse wijnstok aangeklaagd. Maar in dit tijdperk is er blijkbaar zo'n moedwillige veronachtzaming van de Here en Zijn Woord, dat de boodschap aan dit vijfde tijdperk een en al veroordeling is.

"Ik weet uw werken." Wat waren deze werken, die voor de Here opkomen en Zijn ongenoegen veroorzaakten? Wel, zoals u weet gingen de tijdperken in elkaar over; de werken van het vierde tijdperk worden in het vijfde tijdperk voortgezet. Deze werken waren, zoals u weet:

1. De leiding van de Heilige Geest werd vervangen door een menselijke hiërarchie.

2. Het zuivere Woord van God en het vrije genot ervan voor iedereen werd vervangen door geloofsbelijdenissen, dogma's, kerkorden, enzovoort.

3. De aanbidding in de Geest en de gaven des Geestes, en al wat tot de ware broederlijke gemeenschap der heiligen behoort, werd terzijde geschoven en vervangen door liturgie en letterlijke afgoderij, heidense feesten enzovoort.

4. De Mariaverering nam gaandeweg een grotere plaats in, in de Christelijke eredienst, totdat zij uiteindelijk een plaats had verkregen, die alleen aan de Godheid toekwam en de Zoon werd van Zijn verheven positie verstoten en ondergeschikt gemaakt aan een mens, met name de paus, die zich de naam van "stedehouder van Christus" toeëigende.

Degenen, die deze verschrikkelijke antichristelijke kerk bestreden, werden omgebracht. Degenen, die bij haar bleven, bemerkten dat zij een pion van de kerk waren, of het nu landlieden of koningen waren. Zij hadden hun leven niet in eigen hand, en ook was hun leven niet van Christus, maar zij behoorden met lichaam, ziel en geest de kerk van Rome toe. Zij spraken over het bloed van Christus, maar toch kochten zij hun redding met geld en kochten vergeving van zonden, hetzij met goud, hetzij door boetedoening. De meer welgestelden vonden het een prettige toestand, toen Leo X hun toestond om aflaten te kopen voor zonden, die nog niet bedreven waren, zodat zij zonder gewetensbezwaar hun afgrijselijke misdaden konden beramen en vervolgens uitvoeren in de wetenschap, dat de paus hun zonden reeds had vergeven. Het Woord Gods werd hun onthouden, wie kon dus de waarheid weten! Daar de waarheid slechts door het Woord komt, was het volk opgesloten in een kerker van de Roomse kerk in afwachting van de dood en van het oordeel daarna. Maar de grote hoer, dronken van het bloed der martelaren en zonder enige gedachte aan het oordeel, gedroeg zich als een wilde en ging voort met haar slachtpartijen, zowel lichamelijk als geestelijk.

Nu vond tegen het einde van het vierde tijdperk, dat tevens het begin van het vijfde is, de invasie van Constantinopel door de Turken plaats en deze dreef de geleerden van het Oosten met hun Griekse handschriften naar het Westen. De zuiverheid van het Woord en het onderwijs van de ware gelovigen werden zodoende verspreid. Niet alleen waren deze eminente leraars van groot belang, maar ook werd het grondbeginsel ontdekt van wat zou uitgroeien tot onze moderne drukpersen en dit vergemakkelijkte het produceren van boeken. Wij zien dus, dat de grote honger en vraag naar de Bijbel gestild kon worden. God deed veel machtige mannen opstaan, waar Luther slechts één van was. Calvijn en Zwingli waren twee andere lichtende lichten en behalve deze waren er vele, vele anderen die niet zo bekend zijn. Ofschoon echter dit alles niet tevergeefs was, werd het machtige werk Gods in feite door deze zelfde mannen weerstaan. Om een ding te noemen: zij verzetten zich niet tegen het huwelijk van Kerk en Staat van het concilie van Nicéa, maar bevorderden die vereniging veeleer. De verdediging van het Evangelie door de Staat was hun welkom, ofschoon de Bijbel zoiets nergens leerde. En ofschoon wij kunnen zien, hoe soms de toorn van een man gerechtigheid voor God moet voortbrengen – bijvoorbeeld toen Hendrik VIII het opnam voor de Reformatie en de verwerping van de pauselijke overheersing – stond dat ver af van Pinksteren en de bescherming door een almachtig God.

Ondanks Luthers' voortdurend onderwijs tegen invloeden van buitenaf in de plaatselijke gemeentezaken, was hij niet in staat om de "bisschop en aartsbisschop"-idee aangaande de kerkelijke regering uit de gedachten der mensen te bannen. De gemeente deed dus één stap in de goede richting, maar bleef toch in de boeien, zodat zij al gauw weer gevangen was in dezelfde kerker, waaruit zij geprobeerd had te ontsnappen.

Toch was de beker van de afschuwelijke werken nog niet vol. Niet alleen zette Luther door een gebrekkig inzicht aan tot strijd en veroorzaakte hij hierdoor de dood van gehele menigten, maar de Zwinglianen vervolgden de godvrezende Dr. Hubmeyer zodat hij in de gevangenis terecht kwam, en ofschoon zij hem niet tot de brandstapel veroordeelden, waren zij in feite toch in grote mate verantwoordelijk voor zijn uiteindelijke dood door verbranding. En Calvijn deed niet minder, want hij beval de arrestatie van Servet, die de eenheid van de Godheid had gezien en onderwezen. De Staat berechtte deze broeder en tot ongenoegen van Calvijn werd hij op de brandstapel verbrand.

Indien er ooit een tijd van kerkelijke partij-ijver was, dan was het wel in deze tragische tijd. De woorden van Comenius beschrijven veel van dit tijdperk. Comenius schreef: "ÉÉN DING IS NODIG." Hij vergelijkt de wereld met het labyrint en toont aan dat de uitweg het weglaten van het onnuttige is en het kiezen van het enige noodzakelijke, Christus. Het grote aantal leraars, zegt hij, is de oorzaak van de grote hoeveelheden sekten, waarvoor wij spoedig geen namen meer over zullen hebben. Iedere kerk houdt zichzelf voor de ware, of tenminste voor het zuiverste, meest ware deel ervan, terwijl zij elkander onderling vervolgen met de bitterste haat. Er is geen hoop op verzoening tussen hen. Zij treden vijandschap tegemoet met onverzoenlijke vijandschap. Vanuit de Bijbel smeden zij hun verschillende geloofsbelijdenissen; dit zijn hun burchten en bolwerken, waarachter zij zich verschansen en alle aanvallen afslaan. Ik wil niet zeggen, dat deze geloofsbelijdenissen – want in de meeste gevallen kunnen wij ze zo noemen – in wezen slecht zijn. Zij worden het echter, doordat zij het vuur der vijandschap voeden. Alleen door ze volkomen opzij te schuiven zou het mogelijk worden de wonden der kerk te helen. "Tot dit labyrint van sekten en onderscheiden geloofsbelijdenissen behoort een ander ding: de liefde om te discussiëren... Wat wordt er door bereikt? Is er ooit één geleerd verschil bijgelegd? Nimmer. Het aantal geschilpunten is er alleen maar groter op geworden. Satan is de grootste sophist; hij is nimmer overwonnen in een twistgesprek... In godsdienstoefeningen worden gewoonlijk meer de woorden van mensen gehoord dan het Woord van God. Iedereen kakelt maar naar eigen believen, of doodt de tijd met geleerde verhandelingen en het weerleggen van de inzichten van anderen. Over de wedergeboorte en hoe iemand veranderd moet worden in de gelijkenis van Christus om deel te krijgen aan de Goddelijke natuur (II Petrus 1:4) wordt nauwelijks een woord geuit. Van de sleutelmacht heeft de kerk de macht om te binden vrijwel verloren; slechts de macht tot ontbinden rest nog... De sacramenten, gegeven als symbool van eenheid, van liefde en van ons leven in Christus zijn een aanleiding geworden tot het begin van de bitterste twisten, een reden van wederzijdse haat en een centrum van sektarisme... Kortom, de Christenheid is een labyrint geworden. Het geloof is gesplitst in duizend deeltjes en u bent een ketter indien u een van die deeltjes niet aanvaardt... Wat kan uitkomst bieden? Slechts het enige nodige: wederkeren tot Christus, het opzien naar Christus, als de enige Leidsman en wandelen in Zijn voetstappen en alle andere wegen laten liggen, totdat wij allen het doel bereiken en tot de eenheid van het geloof gekomen zijn (Efeze 4:13). Zoals de hemelse Meester alles bouwde op de grondslag der Schrift, zo behoren wij alle bijkomstigheden van onze bijzondere belijdenissen te verlaten en genoegen te nemen met het geopenbaarde Woord van God, hetwelk ons allen toebehoort. Met de Bijbel in onze hand zouden wij moeten uitroepen: Ik geloof wat God in dit Boek heeft geopenbaard; Ik wil eerbiedig Zijn geboden bewaren; ik hoop op wat Hij heeft beloofd. Christenen, hoort aandachtig! Er is maar één Leven, maar de dood komt tot ons in duizend vormen. Er is maar één Christus, doch er zijn duizend antichristen. U weet dus, o Christenheid, wat het enige nodige is. Of u keert terug tot Christus, of u gaat de ondergang tegemoet, zoals de antichrist. Indien gij wijs zijt en leven wilt hebben, volg dan de Leidsman des Levens.

Maar gij, o Christenen, verheugt u in uw opneming... hoort de woorden van uw hemelse Leidsman: 'Komt tot Mij...' Antwoordt eenstemmig: 'Ja, amen, wij komen.'"

Ik zei zoëven, dat dit tijdperk een geweldige toeneming te zien geeft van de denominatiegeest. Als ooit de houding van de Korinthiërs van het "ik ben van Paulus" en: "ik ben van Cephas" ten toon gespreid werd, dan was het nu wel. Er waren Luthersen, Hussieten, Zwinglianen, enzovoort. Een dergelijke verdeling van het Lichaam van Christus was jammerlijk. Zij hadden een naam, doch waren dood. Zeker, zij waren dood. Op het ogenblik, dat zij tot organisatie overgingen, stierven zij af. De grote groepen organiseerden zich en verbonden zich door een huwelijk met de staat. Dit was hun einde. Ziehier de Luthersen, die op de Rooms-katholieke kerk kritiek hadden uitgeoefend. Zij kenden de ongerechtigheid van politieke en geestelijke unies – toch ging Luther (zoals Petrus zwichtte voor de Judaïsten) regelrecht die kant op en maakte de staat in plaats van God de verdediger des geloofs. Dit is de eerste denominatie van naam, die uit de hoer voortkwam, maar nadat Luther was gestorven, duurde het niet lang, of er ontstond een hiërarchie (groepsopbouw van bisschoppen en dergelijke) zoals die, welke zij had bestreden. Deze beweging van God was tegen die tijd dat de tweede generatie opkwam, weer terug onder de vleugels van haar moeder. Zij was teruggekeerd zonder het te weten. Zij hadden hun eigen naam aangenomen boven Zijn Naam. Zij leefden ook voor hun eigen naam. En alle denominaties doen tegenwoordig precies hetzelfde. Zij leven naar hun eigen naam en niet naar de Naam van de Here Jezus Christus. Dat kunt u gemakkelijk zien, want iedere kerk staat bekend volgens de wijze van haar aanbidding, maar niet één is bekend vanwege de kracht van God. Dat is de toetssteen. En ik wil dat u juist hier opmerkt, dat dit tijdperk niet de tekenen en de wonderen in haar midden had. Men ruilde de kracht van God voor de kracht van de staat. Zij hielden vast aan hun eigen naam; zij maakten hun naam groot. Het was die oude geest, die probeert iedereen in de schaapskooi te krijgen. Heden ten dage willen de Baptisten dat de Methodisten zich bij de Baptisten aansluiten. De Methodisten zijn er op uit om de Presbyterianen te bekeren; en de Pinksterbeweging wil hen allen hebben. Ieder beweert het meeste te bieden en de grootste verwachtingen te kunnen wekken – een soort deur naar de hemel, of tenminste de weg naar een ruimere ingang. Hoe tragisch is dit alles.

Deze denominatiegeest is er de oorzaak van dat al deze denominaties hun handboeken hebben geschreven en hun geloofsbelijdenissen leren, hun kantoren en kerkelijke besturen oprichten en dan beweert ieder voor zich dat zij en zij alleen waarlijk voor God spreekt, daar zij het meest aan de eisen voldoet. Welnu, is dat niet precies wat de paus en de Roomse kerk aan het doen zijn? Zij zijn volledig terug bij haar moeder, de hoer, en ze weten het niet.

Ik wil nu onze verhandeling over dit vers, "gij hebt een naam dat gij leeft, maar gij zijt dood," besluiten en het er bij u inhameren dat dit tijdperk, ofschoon het de Reformatie voortbracht, door God in plaats van geprezen, het strengste werd berispt, omdat het het ZAAD VAN DE DENOMINATIE ZAAIDE, DAT ZICH RECHTSTREEKS TERUGORGANISEERDE TOT DE HOER, nadat God een deur ter ontkoming geopend had. Toen de uittocht uit de Katholieke kerk plaatsvond, was zij niet waarlijk in haar geheel Geestelijk, maar meer politiek gericht. De meeste mensen trokken op met het Protestantisme omdat zij, zoals ik reeds heb vermeld, het Roomse systeem van politieke en financiële slavernij haatten. Zo was dit, in plaats van een grote Geestelijke beweging, met alle kenmerken van de invloed van de Heilige Geest, zoals toen God Zijn doeleinden volbracht door middel van zuiver Geestelijke middelen op Pinksteren, in werkelijkheid een WERK WAARIN DE TOORN VAN DE MENSEN MAAKTE DAT GOD WERD GEPREZEN en de resultaten lopen parallel met de geschiedenis van Israël toen het Egypte verliet en in de woestijn rondzwierf en het land Kanaäns niet bereikte. Nochtans was er veel tot stand gebracht, doordat het juk van Rome zelfs gedeeltelijk verbroken was en men het Woord van God kon ontvangen en zich openstellen voor de Geest zonder dezelfde vrees als voorheen. Dit opende de deur tot het grote zendingstijdperk dat zou volgen.

De Izebel van Thyatira was niet van zins, haar greep op het volk los te laten en wij zien dus, dat haar dochter Athalia het hoofd opsteekt in het tijdperk van Sardis, in de hoop dat zij het ware zaad zou kunnen smoren door haar organisatieplannen.

De waarschuwing

Openbaring 3:2:

Weest wakende, en versterk het overige, dat sterven zou; want Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God.

Ik wilde wel dat ik kon zeggen dat het tijdperk van Sardis een "restauratie" in plaats van een reformatie was. Maar ik kan dat niet zeggen. Het Woord noemt het ook geen "restauratie" (herstel), maar spreekt beslist van een reformatie. Zou het een restauratie geweest zijn, dan zou dat tijdperk weer opnieuw een Pinkstertijdperk geweest zijn. Maar dat was het niet. Het beste dat ervan gezegd kon worden was: "Versterk het overige, dat sterven zou." Er ontbrak iets. Ja, er ontbrak beslist iets. Dit tijdperk had de rechtvaardiging, maar het miste de heiliging en de doop met de Heilige Geest. Dat was Gods oorspronkelijk plan. Dat hadden zij op Pinksteren. Zij waren gerechtvaardigd, zij waren geheiligd en vervuld met de Heilige Geest. Wel, luister naar mij: u wordt gerechtvaardigd en geheiligd om gedoopt te kunnen worden met de Heilige Geest. Om die reden bestaat er een gemeente. Zij is de tempel Gods, vervuld met God, ja, met de Heilige Geest. Dezelfde Geest, Die in Jezus was gedurende Zijn rondwandeling hier op aarde, en er voor zorgde, dat Hij de machtige werken deed, kwam met Pinksteren terug op de gemeente, zodat zij de werken deed, die Hij gedaan had. Dit tijdperk had deze werken niet. O ja, zij hadden het geschreven Woord (maar niet het geopenbaarde Woord). Dit was de periode van de Reformatie. Maar vreest niet, gij klein kuddeke! God zeide: "Ik zal het herstel geven." En deze Reformatie zou daar het begin van zijn. Hij ging – overeenkomstig Zijn belofte – de gemeente terugbrengen van de diepten des Satans gedurende de middeleeuwen naar de diepten Gods welke zij kenden op Pinksteren en in de eerste weinige jaren van het bestaan der gemeente.

Let nu op en begrijp dit goed. In dit tweede vers staat: "Want Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God." Weet u wat er met "niet vol" precies wordt bedoeld? Onvervuld. Dit tijdperk was een onvervuld tijdperk. Het was slechts het begin van de terugkeer. Daarom zei ik, dat de Bijbel het een reformatie noemt – niet een herstel. Het was begonnen met de leerstelling der rechtvaardigmaking, die inhoudt dat de verlossing helemaal het werk van God is. Hoe predikte Luther de soevereiniteit Gods en de uitverkiezing! Hij wist dat het alles door genade was. Hij scheidde de gemeente van de heerschappij door de kerkelijke hiërarchie. Hij haalde de afgodsbeelden omver. Hij bande de biecht aan de priesters uit. Hij klaagde de paus aan. Hij begon wonderbaarlijk goed, maar God had 1500 jaar tevoren gezegd: "Luther, je zult iets beginnen, maar je tijdperk zal het niet voleindigd zien; ik zal dat bewaren voor later." Halleluja! Onze God regeert! Hij weet het einde reeds vanaf het begin. Inderdaad, Luther was Zijn boodschapper. Wanneer wij al zijn gebreken bezien, dan lijkt het erop alsof dit niet zo is. Maar er was iemand genaamd Jona en ook hij kende gebreken in zijn leven. Toch was hij een profeet, alhoewel u en ik dat misschien niet graag zouden zeggen, gezien zijn wijze van handelen. Maar God kent de Zijnen en Hij gaat Zijn gang zoals Hij ook bij Jona Zijn gang ging. Hij ging zo Zijn gang met Luther in dat tijdperk en Hij zal Zijn gang gaan tot aan de voleinding.

Dit was dus een niet-voleindigd tijdperk. Het was een tijdperk van reformatie. Maar zo wilde God het. Ik wil dit op dezelfde wijze illustreren als ik deed aan een heel wonderbare Lutherse broeder, die president is van een zeer goede Bijbelschool in het Westen. Ik was door hem te eten uitgenodigd, om met hem te spreken over de Heilige Geest. Hij was over vele dingen in verwarring en hij zei tegen mij: "Wat hebben wij Luthersen nu eigenlijk?"

Ik zei: "Wel, jullie hebben Christus."

Hij zei weer: "Wij hebben de Heilige Geest nodig. Gelooft u dat wij de Heilige Geest bezitten?"

Ik zei: "Jullie geloven erin als een mogelijkheid."

Hij vroeg toen: "Wat bedoelt u met 'als een mogelijkheid'? Wij hongeren naar God. Wij lazen een boek over Pinksteren en de gaven van de Geest; dus vlogen sommigen van ons naar Californië om de schrijver te bezoeken. Toen wij daar arriveerden vertelde hij ons dat, hoewel hij het boek geschreven had, hij de gaven niet bezat. Toen wij nu de gaven in werking zagen in uw bediening wilden wij een gesprek met u hebben, want u moet hier het een en ander over weten."

Nu ligt de Bijbelschool van deze broeder geheel buiten de stad en zij is omgeven door vele hectaren land, waarop de studenten kunnen werken, om zodoende hun collegegeld te kunnen betalen. Hij bezit tevens fabrieken, om nog meer werkgelegenheid te kunnen bieden. Ik gebruikte dan ook zijn akkers om mijn vertelling te illustreren en zei: "Eens was er een man die uitging om maïs te zaaien op zijn eigen land. Hij trok de stronken uit de grond en plantte zijn maïs. Iedere morgen keek hij uit over zijn land, maar op zekere morgen zag hij in plaats van kale grond ontelbare kleine blaadjes opkomen. Hij zei: 'Prijst God voor mijn maïsveld.'"

Toen vroeg ik hem: "Had de man al maïs?"

Hij zei: "Tot op zekere hoogte, ja."

Ik zei: "Potentieel, ja; en ziedaar de Luthersen in de dagen der Reformatie, jullie brachten jullie blaadjes voort, ziet u? Het maïs begon te groeien (nadat het in de grond tot rotting was gekomen in de Donkere Eeuwen). Enige tijd later waren de mooie grote stengels te zien en op zekere dag kwam er een zijden pluimpje te voorschijn. Dat zijden pluimpje keek omlaag naar de blaadjes en zei: 'Jullie oude formele Luthersen hebben niets. Ziet naar ons: Wij zijn de zielenwinners, de grote zendelingen. Onze tijd is het zendingstijdperk.' Dat tijdperk van de bloesem was het tijdperk van Wesley. Zij waren de grootste zendelingen en overtroffen zelfs ons in ons tijdperk. Wat deed dat tijdperk? Het strooide uit als stuifmeel in de wind.

Wel, wat volgt daarop? Natuurlijk denken wij aan de werkelijke vorming en de oogst van het graan – de voltooide cyclus. Maar zo is het niet. Er is nog een stadium. In dat stadium wordt het omhulsel of het kaf gevormd, dat het zaad bedekt. En dat is nu precies wat er in deze Geestelijke cyclus gebeurd is. Bij de overgang naar de twintigste eeuw, het begin van het tijdperk van Laodicéa, geloofde men vrijwel overal dat de Heilige Geest op precies dezelfde wijze zou vallen als op de Pinksterdag. Mensen spraken in tongen en beweerden gedoopt te zijn met de Heilige Geest, met het spreken in tongen als bewijs. Maar ik heb vele malen in de korenvelden gelopen en in de late zomer tarwekoppen afgeplukt en in mijn hand fijngewreven om wat graan te krijgen, maar tot mijn verrassing WAS ER GEEN ENKELE GRAANKORREL IN DAT KAF, OFSCHOON HET ER ECHT OP LEEK DAT HET GRAAN ER WAS. Dit is een volmaakt beeld van de zogenaamde Pinksterbeweging. En dat dit een bewezen feit is, blijkt hieruit, dat deze mensen ZICH ORGANISEERDEN OP GROND VAN EEN LEER, en aldus weer volledig terugkeerden tot een binding zoals de organisaties voor hen gedaan hadden; waarmee zij bewezen dat zij, in plaats van het ware zaad, het kaf waren, de bedekking van het ware tarwezaad dat nog zou komen. Dit tijdperk van het kaf was de periode van gevaar waarvan Jezus sprak in Matthéüs 24:24 waar staat dat zij, indien het mogelijk ware, zelfs de uitverkorenen zullen verleiden. O, men dacht dat dit kaf, het zogenaamde Pinkstertijdperk, het ware zaad was. Maar het bewees slechts de drager te zijn om het leven over te brengen in het tijdperk waarin het ware herstel komt en de Tarwe-bruid geopenbaard wordt in de kracht waarvan Ezechiël 47:2–5 spreekt. 'En hij bracht mij uit door de weg van de noorderpoort, en voerde mij om door de weg van buiten, tot de buitenpoort, de weg, die naar het oosten ziet; en ziet, de wateren sprongen uit de rechterzijde. Toen nu die man naar het oosten uitging, zo was er een meetsnoer in zijn hand; en hij mat duizend ellen, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de enkels. Toen mat hij nog duizend ellen, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de knieën; en hij mat nog duizend, en deed mij doorgaan, en de wateren raakten tot aan de lendenen. Voorts mat hij nog duizend, en het was een beek, waar ik niet kon doorgaan; want de wateren waren hoge wateren, waar men door zwemmen moest, een beek, waar men niet kon doorgaan.'

En de wijze, waarop dit geschiedde, was door Gods volmaakte wil en programmering. De Luthersen hadden potentieel de Heilige Geest onder de rechtvaardiging; de Methodisten hadden Hem potentieel onder heiligmaking en thans is Hij teruggebracht, een herstel – de Heilige Geest is hier."

"Weest wakende, en versterk het overige, dat sterven zou." De begrippen die in deze twee woorden "wakende" en "versterk" worden uitgedrukt zijn deze: Waken houdt niet alleen in, dat men niet slaapt, maar ook waakzaam zijn, op de hoede zijn. Is men dit niet, dan dreigt gevaar en verlies. Versterken betekent meer dan alleen maar kracht geven, het betekent verstevigen en voor altijd funderen. Deze beide bevelen slaan op wat overgebleven is van de WAARHEID, welke zelf op het punt staat of dreigt te sterven. Deze uitdrukking van de Geest komt mij voor als een illustratie. Een groep slaven, die in volledige gevangenschap verkeerden, zowel lichamelijk als geestelijk, zijn in opstand gekomen en ontkomen aan de macht van hun meesters (dat is dan ook inderdaad wat Sardis betekent: de ontkomenen). Zij worden vervolgd en hun grote en glorieuze verworvenheden zijn bijna allemaal verloren gegaan. Zij zijn niet opnieuw gevangen genomen; alles wat ervan gezegd kan worden is dat zij ontsnapt zijn – niet een volledige ontsnapping zoals bij sommigen, blijkens het Woord. Zij hadden veel van hun vrijheden verloren. Nu zegt de Heer: "Jullie zijn potentieel terug in gevangenschap; past op dat je niet teruggaat. Weest op uw hoede en blijft voortdurend waakzaam, zodat u niet weer terugkeert in zaken, waarin gij gevangen waart en alles zult verliezen. Versterkt uzelve in wat u overhebt, zodanig dat wat u hebt, permanent bevestigd wordt en het zodoende beveiligd is tegen verlies in de toekomst. Dit zal uw kans zijn om te vervullen wat u niet hebt vervuld." Maar gingen zij verder? Neen. Zij sloegen geen acht op de stem des Geestes; weer ging een tijdperk in ballingschap en daarom deed God anderen opstaan, die Zijn wil zouden uitvoeren. God ging aan de Lutherse denominatie voorbij, zoals Hij aan alle andere voorbijging, en nooit zullen zij terugkeren. God moest voortgaan en in een nieuw tijdperk meer waarheid brengen en een wat verder herstel.

Het oordeel

Openbaring 3:3:

Gedenk dan, hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Indien gij dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal.

Van dit vers zou ik nog een andere vertaling willen lezen (Wuest): "Herinnert u dus voortdurend op welke wijze gij (de waarheid als een vaststaand onderpand) ontvangen en hoe gij haar gehoord hebt en bewaart haar steeds, en verandert onverwijld uw gezindheid." Uit dit vers blijkt duidelijk, dat God hun waarheid als een voortdurend onderpand had gegeven. Zij werd ontvangen en is onherroepelijk het hunne. Wat zij ermee zullen doen valt nog slechts te bezien, of zij er acht op zullen geven, ja of neen. Dat is waar. De grondwaarheid van het hele Evangelie was aan hen gegeven: "De rechtvaardige zal uit geloof leven." "Het heil is des Heren." Zij hadden de waarheid van de Bijbel gehoord, welke de leerstellingen van Rome neerwierp en alle pauselijke macht in de wind sloeg. Zij kenden de waarheid, dat het niet de gemeente is die redt. Zij verstonden het avondmaal des Heren. Zij hadden licht over de waterdoop. Zij deden de beelden weg. Waarheid? Wel, er was nooit een tijdperk met zoveel mannen, die zoveel licht konden verspreiden. Zij bezaten genoeg verlichting om het oude systeem volledig te ontmantelen of om een begin te maken en zich door God te laten leiden, regel op regel en gebod op gebod (Zie Jesaja 28:10 – Vert.). Zij namen de waarheid aan. Zij hadden haar nodig en hoorden haar. Maar de vraag was: hoe luisterden zij ernaar? Luisterden ze ernaar om erop te bouwen, of was het met dezelfde houding als die van vele Grieken – iets om over te praten en te theoretiseren? Het rijke Woord der Waarheid werd blijkbaar academisch aangehoord in plaats van dat men het in praktijk bracht, want God eiste, dat men in dit opzicht de gedachten zou veranderen. Indien dit het Woord van God is, en dat is Het ook, dan moet Het gehoorzaamd worden. Ontbreekt de gehoorzaamheid, dan komt het oordeel. Wanneer de wachten van de heilige tempel sliepen, werden zij geslagen en hun klederen verbrand. Wat zal de Here doen met diegenen, die in dit tijdperk zijn verslapt in hun waakzaamheid?

"Ik zal komen als een dief." Het oude Sardis werd voortdurend bestookt door bandieten die uit de bergen kwamen en het volk beroofden. Zij wisten dus maar al te goed wat de Geest zeide, namelijk dat de Heer komt als een dief. Waakzaamheid en toebereiding alleen zullen voldoende zijn om voor Zijn komst gereed te zijn. Nu weten wij, dat dit een boodschap is voor de valse wijnstok, want de komst des Heren zal zijn als in de dagen van Noach. De acht geredden waren zich bewust van de dreigende vloed, en daar zij zich er van bewust waren, waren zij gereed en werden ze gered, maar de wereld der goddelozen werd weggevaagd. Ofschoon zij dagelijks in aanraking waren met de rechtvaardigen en de waarheid hoorden, schoven zij die terzijde, totdat het te laat was. Die volkomen vleselijke mensen uit die periode typeren nu de naamchristenen, wier leven vol aardse dingen zijn, die hierin zo'n groot behagen scheppen, dat zij geen verlangen hebben naar het Geestelijke en zich in het geheel niet bewust zijn van, noch zich gereed gemaakt hebben voor Zijn verschijning.

De lofrede

Openbaring 3:4:

Doch gij hebt enige weinige namen ook te Sardis, die hun klederen niet bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte klederen, aangezien zij het waardig zijn.

Natuurlijk wordt er met het woord "namen" op "personen" gezinspeeld, zoals in Handelingen 1:15 staat van degenen, die in de opperzaal waren: "Het aantal namen was tezamen ongeveer 120." Maar het betekent voor mij veel meer dan alleen maar mensen; het drukt de waarheid uit welke in ieder tijdperk naar voren wordt gebracht, waarvan door onze Heer met grote nadruk wordt gesproken. Het is deze: het kerkelijke stelsel van deze tijdperken bestaat uit twee wijnstokken, de ware en de valse. God heeft hen in Zijn soevereine voornemen samengebracht en hun de naam "gemeente" gegeven. Zie hoe Hij hen in dit tijdperk heeft bestraft door te zeggen: "Aan de gemeente te..." en niet: "Aan de gemeenten te Sardis." Hij vat hen echter samen – "de gemeente te..." – "Ik weet uw werken..." – "gij zijt dood..." "uw werken zijn niet vol bevonden..." En dan vervolgt Hij – "Gij (deze gemeente in Sardis) hebt een paar mensen in uw midden, die goed staan, en niet verkeerd zoals de meerderheid. Zij wandelen in reine gewaden en zij zijn Mij waardig." Deze mensen, die de ware heiligen Gods waren, wandelden allen "aangenaam voor de Here." Hun gewaden waren rein. Ziet u, in die dagen sleepten de gewaden over de grond en namen daardoor vuil en viezigheid met zich mee. Dezen hier letten op hun wandel, zodat zij niet door de wereld bedorven werden. Zij waren in de Geest en wandelden in de Geest. Zij waren heilig en zonder blaam voor Hem. Zij beantwoordden aan hun roeping, want dat is volgens Efeze 1:4 Gods bedoeling met ons "opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Hem."

Uit dit vers, dat duidelijk aantoont, dat de uitverkorenen Gods slechts "enkele namen" zijn, kunt u dan ook zien wat wij over dit tijdperk hebben geleerd. Het was chaotisch. Het was NIET VOL. Het was in vele opzichten verdeeld, en God bestrafte het dan ook bijna in zijn geheel. Het was zwak en ziekelijk en dreigde te sterven. Het was niet het glorierijke tijdperk, dat de vleselijk gezinde Protestantse geschiedschrijvers ervan proberen te maken. Een vluchtige blik op die boom liet reeds zien dat deze aangevreten en verdord was, van bladeren ontdaan en zonder vrucht, behalve dan wat misvormde en wormstekige vruchten, die bijna op de grond vielen. Maar let eens even op, kom eens wat dichter bij: Daar in de top, in het licht van de zon, waren enkele "eerste vruchten" – "Enkele Namen" – volmaakt in Hem want zij waren geboren uit Hem, vervuld van Hem en zij wandelden met Hem door Zijn Woord.

Dank God voor "deze weinigen".

"En zij zullen met Mij wandelen." God zegt dat Hij hun dit schenken zal voor deze wandel. Dat is een deel van hun erfdeel, dat Hij voor hen heeft weggelegd. Als zij bereid waren om met Hem door de beproevingen van het dagelijkse leven te wandelen en een eer voor Hem te zijn, dan zal Hij hen gaan belonen. Hij vergeet onze arbeid der liefde niet. God zal ons altijd belonen voor onze inspanningen om Hem aangenaam te zijn.

Ja, zij hadden door de wereld gewandeld maar geen deel gehad aan de wereld. Zij hadden zich niet laten overwinnen door de wereldstelsels. Terwijl roemruchte namen van dat tijdperk waren gezwicht voor de vleierijen van de staat en een politieke gezindheid hadden gekozen in plaats van de Geestelijke gezindheid en terugkeerden naar de wereld, stonden deze enkelingen pal voor het Woord van God, en eerden daardoor God. Nu zou Hij hen op Zijn beurt ook eren. Want zij zullen met Hem in witte klederen wandelen. Zij hadden zich met Hem hier op aarde vereenzelvigd, en nu zou Hij Zich met hèn vereenzelvigen in het Nieuwe Jeruzalem. En hoe wonderbaar zal die vereenzelviging zijn! Zij doet mij juichen en toch moet ik ook wenen wanneer ik eraan denk, hoe liefderijk Hij Zich op één niveau plaatst met hen; want het zal u opvallen dat Hij niet in een andere kleur gekleed is dan de heiligen, zoals aardse heersers zouden doen. Neen, zij zijn Hem gelijk; Hij is hun gelijk. Zij zijn Hem gelijk, zoals Johannes zegt: "Want zij zien Hem gelijk Hij is."

"Omdat zij het waardig zijn." Beseft u wie dit zegt? Het is Jezus, de Waardige Zelve. Dit is de Enige, Die waardig bevonden is om het boek uit de hand te nemen Desgenen, Die op de troon gezeten is. En deze Waardige zegt nu tot Zijn heiligen: "Gij zijt waardig." Hier is Hij, de Enige Die gerechtigd is om te oordelen (en waarlijk, alle oordeel is Hem overgegeven), en Hij zegt: "Gij zijt waardig." Deze woorden zijn even verbazingwekkend als de woorden uit Romeinen 8:33b: "God zegt dat ik rechtvaardig ben." (Vertaling van Way). Daar, in het licht van Gods gerechtigheid, hoort men de liefderijke stem van Jezus zeggen: "Dezen zijn de Mijnen; zij zijn rechtvaardig. Zij zijn waardig. Dezen zullen met Mij in witte klederen wandelen."

De belofte aan de overwinnaar

Openbaring 3:5:

Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het Boek des Levens, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.

"Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen." In feite is dit een herhaling van vers 4, waar melding gemaakt wordt van de weinigen, die hun klederen niet hebben bezoedeld. Jaren terug hadden wij een uitdrukking, die ongetwijfeld van dit vers is afgeleid, namelijk: "Houd je slippen schoon." Deze hield in: Laat u niet in met twijfelachtige dingen: anderen zullen erin betrokken raken en u zou in de verleiding kunnen komen erin betrokken te raken, of de een of ander zou zelfs kunnen trachten u erin te betrekken; maar mijdt het door een veilige koers te nemen. God nu, zal diegenen, die dit advies opvolgen, belonen. Zij zullen in witte klederen gekleed worden, gelijk Hij in het wit gekleed is. Petrus, Jakobus en Johannes zagen Hem op de berg der Verheerlijking en Zijn klederen waren als blinkend wit licht. Zo zullen de heiligen bekleed worden. Hun gewaden zullen blinken, schitterend wit.

U weet, dat wij in de eindtijd leven. In dit tijdperk zullen de kerken tot elkaar komen. En zoals zij nu reeds de wereldpolitiek beheersen, zullen zij spoedig de wereldfinanciën beheersen. Als u dan niet behoort tot de wereldorganisatie van kerken, dan zult u niet kunnen kopen of verkopen. U zult alles kwijtraken. Zij die God trouw blijven en hun gewaden rein bewaren van de bezoedelingen van dit wereldstelsel van kerkorden, zullen van goederen beroofd worden. Hun zal een grote verzoeking, om toe te geven, te wachten staan. Predikers zullen zwichten voor de druk met als voorwendsel, dat zij God willen dienen binnen het kader van het antichristelijke beeststelsel. Zij zullen gehoor geven aan de vleierijen van de hiërarchie. En het volk zal deze valse herders rechtstreeks volgen naar de slachtbank. Maar in het oordeel zullen zij allen naakt bevonden worden. Aan hen zullen niet de witte klederen geschonken worden; noch zullen zij met Hem wandelen. U kunt niet wandelen in de bevlekte kleding van de wereld en het hier houden met de duivel en dan verwachten, dat u met God zult zijn. Het wordt tijd om wakker te worden en de stem Gods te horen, die roept: "Kom uit van haar (de georganiseerde godsdienst), Mijn volk, opdat gij geen deel hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen." Amen. God spreekt. Schuw de godsdiensten van deze wereld, zoals u de plagen schuwt. Laat de wereld los en maak uw klederen wit door bekering en het bloed des Lams. Maar doe het nu, want morgen kan het te laat zijn.

"En die overwint, Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het Boek des Levens." Opnieuw komen wij bij een zeer moeilijk gedeelte van het Woord. Oppervlakkig beschouwd zal dit vers zowel door Arminianen als Calvinisten gebruikt worden zoals het in hun kraam te pas komt. De Arminianen zullen verklaren, dat door dit vers Johannes 6:37–44 vervalt: "Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. Want Ik ben uit de hemel neergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar de wil van Hem, Die Mij gezonden heeft. En dit is de wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft, dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze, maar het opwekke ten uitersten dage. En dit is de wil van Hem, Die Mij gezonden heeft, dat een ieder, die de Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe, en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. De Joden dan murmureerden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het Brood, Dat uit de hemel neergedaald is. En zij zeiden: Is deze niet Jezus, de Zoon van Jozef, Wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Deze dan: Ik ben uit de hemel neergedaald? Jezus antwoordde dan, en zeide tot hen: Murmureert niet onder elkander. Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage." Het Arminianisme maakt van de wil des Vaders, in plaats van Zijn soevereine voornemen, louter en alleen een zelfvoldaan verlangen, terwijl Hij terugtreedt om te zien wat alle mensen doen met Zijn goede en genadige gaven, en zelfs met het eeuwige Leven.

De Calvinisten zien dat niet zo. Zij zien in dit vers grote vertroosting, die gegeven wordt aan lijdende, bezwaarde heiligen, daar – hoe boos de tijden ook zijn en hoe verschrikkelijk de vervolgingen woeden, omdat de overwinnaar een is "die gelooft dat Jezus is de Christus" – zijn naam niet uitgewist zal worden uit dat Boek. Sommigen zeggen ook, dat dit Boek des Levens niet het Levensboek des Lams is. Maar zoals gewoonlijk, wanneer iemand een vers oppervlakkig beschouwt, krijgt hij er ook een oppervlakkige opvatting van.

De mogelijkheid van het uitwissen van een naam uit het register van God verdient meer dan terloops bestudeerd te worden, want tot op heden hebben de meeste onderzoekers slechts geconcludeerd dat God de namen van hen, die wederomgeboren worden in het Boek des Levens des Lams schrijft op het moment van hun wedergeboorte; en als daarna om de een of andere reden die naam verwijderd moest worden, zal die naam in het register eenvoudig blanco blijven zoals het was voordat er een naam werd geplaatst. Dit is voor honderd procent in tegenstrijd met wat het Woord in feite leert.

Laten wij reeds bij het begin van ons onderzoek vaststellen dat er NIET ÉÉN SCHRIFTWOORD is dat leert dat God thans een register met namen samenstelt. Dit was reeds gebeurd voor de grondlegging der wereld, zoals wij aanstonds zullen uiteenzetten. Ook gaat het er niet om of wij te doen hebben met twee groepen mensen, die beiden de gelegenheid hadden eeuwig leven te ontvangen en waarbij de ene groep het ontving en de namen ervan werden opgetekend, terwijl de anderen, die weigerden, hun namen niet opgetekend kregen. Wij zullen in werkelijkheid met de Schrift aantonen, dat ontelbaren, die niet eens wedergeboren waren, het eeuwige leven zullen binnengaan. Hoe vreemd dat ook klinken mag, het is beslist waar. Wij zullen tevens aantonen, dat er een groep mensen is, waarvan de namen opgetekend zijn in het Boek voor de grondlegging der wereld, WELKE ONDER GEEN ENKELE OMSTANDIGHEID UITGEWIST KUNNEN WORDEN; maar wij zullen ook aantonen dat van een andere groep mensen, WAARVAN DE NAMEN OPGETEKEND WAREN VOOR DE GRONDLEGGING DER WERELD, WEL DE NAMEN ZULLEN WORDEN UITGEWIST.

Allereerst wil ik erop wijzen, dat er geen grond is voor de stelling dat het "Boek des Levens des Lams" niet hetzelfde is als het "Boek des Levens". Het Boek des Levens kan evengoed het Boek des Levens des Lams als het Boek des Levens van Christus genoemd worden, of zelfs Uw Boek en het Boek der Levenden. Er zijn alleen namen in geschreven. Openbaring 13:8: "En allen, die op de aarde wonen, zullen het aanbidden, wier namen niet zijn geschreven in het Boek des Levens, des Lams, Dat geslacht is, van de grondlegging der wereld." Openbaring 17:8: "Het beest, dat gij gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit de afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen, zullen verwonderd zijn (wier namen niet zijn geschreven in het Boek des Levens van de grondlegging der wereld), ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is." Openbaring 20:12–15: "En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken. En de zee gaf de doden, die in haar waren; en de dood en de hel gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld een ieder naar hun werken. En de dood en de hel werden geworpen in de poel des vuurs; dit is de tweede dood. En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het Boek des Levens, die werd geworpen in de poel des vuurs." U kunt dus zien dat, hoewel van andere boeken melding wordt gemaakt, er altijd slechts van ÉÉN Boek sprake is dat namen bevat. In het boek Openbaring wordt het het "Boek des Levens des Lams" of het "Boek des Levens" genoemd.

Waar bevindt dit boek zich nu? Lukas 10:17–24: "En de zeventig zijn weergekeerd met blijdschap, zeggende: Here, ook de duivelen zijn ons onderworpen in Uw Naam. En Hij zeide tot hen: Ik zag de Satan, als een bliksem, uit de hemel vallen. Ziet, Ik geef u de macht, om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht van de vijand; en geen ding zal u enigszins beschadigen. Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen. In die ure verheugde Jezus Zich in de geest, en zeide: Ik dank U, Vader! Here des hemels en der aarde; dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen, en ze aan de kinderkens geopenbaard hebt: ja, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U. Alle dingen zijn Mij door Mijn Vader overgegeven; en niemand weet, wie de Zoon is, dan de Vader; en wie de Vader is, dan de Zoon, en dien de Zoon het zal willen openbaren. En Zich naar de discipelen kerende, zeide Hij tot hen alleen: Zalig zijn de ogen, die zien, wat gij ziet. Want Ik zeg u, dat vele profeten en koningen hebben begeerd te zien, wat gij ziet, en hebben het niet gezien; en te horen, wat gij hoort, en hebben het niet gehoord." Het Boek des Levens bevindt zich ontegenzeggelijk in de hemel, en zal verschijnen op de oordeelsdag voor de grote Witte Troon. In deze verzen zegt Jezus, dat hun NAMEN waren opgetekend in de hemelen. Zij waren geschreven in het Boek des Levens, want daar zijn de namen opgetekend. Jezus sprak tot de zeventig (vers 17), maar Hij sprak ook tot de twaalf (vers 23). Zij allen waren verheugd omdat duivelen hun onderworpen waren in de Naam van Jezus. Het repliek van Jezus was: "Verheugt u niet hierover, dat de geesten u onderworpen zijn, maar dat uw namen staan opgetekend in de hemelen (het Boek des Levens)." U zult hier opmerken, dat Judas een dergenen was, die duivelen uitwierpen in Jezus' Naam, maar wij weten, dat hij een duivel was, de zoon des verderfs. Johannes 6:70–71: "Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u twaalf uitverkoren? En één uit u is een duivel. En Hij zeide dit van Judas, Simons zoon, Iskariot; want deze zou Hem verraden, zijnde een van de twaalven." Johannes 17:12: "Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik ze in Uw Naam, Die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde." Johannes 13:10–11: "Jezus zeide tot hem: Die gewassen is, heeft niet van node, dan de voeten te wassen, maar is geheel rein. En gijlieden zijt rein, doch niet allen. Want Hij wist, wie Hem verraden zou; daarom zeide Hij: Gij zijt niet allen rein." "Ik zeg niet van u allen: Ik weet, wie Ik uitverkoren heb; maar dit geschiedt, opdat de Schrift vervuld worde: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijn verzenen opgeheven." (vers 18). Indien nu de taal ook maar enige betekenis heeft, dan zullen wij moeten erkennen dat Judas door Jezus werd gekozen (Johannes 13:18), toch was hij niet rein. (Johannes 13:10,11). Ook Judas was door de Vader aan Jezus gegeven (Johannes 17:12). (Er zij hier nog opgemerkt, dat het "kiezen" en het "geven" hier precies parallel lopen, evenals in de illustraties van Mozes en Farao, Jakob en Ezau, want ofschoon Ezau en Farao beiden van te voren gekend waren, waren zij voorbestemd tot toorn, terwijl het einde van Mozes en Jakob, verheerlijking betekende. I Petrus 2:8–9a toont zowel de door God verworpenen als de uitverkorenen: "Hun namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn. Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom.") Judas werd onder de twaalf gerekend en had werkelijk deel aan de bediening voorafgaande aan Pinksteren. Handelingen 1:16–17: "Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, welke de Heilige Geest door de mond van David voorzegd heeft van Judas, die de leidsman geweest is van hen, die Jezus vingen; want hij was met ons gerekend, en had het lot van deze bediening verkregen." Het aandeel dat Judas verkreeg onder de twaalven en daarna verloor, deed niet onder voor dat van de overige elf, noch was het een duivelse vreemde bediening, die tussen de bedieningen van de anderen in was gevoegd. Handelingen 1:25: "Om te ontvangen het lot van deze bediening en van het apostelschap, waarvan Judas afgeweken is, dat hij heenging in zijn eigen plaats." Judas, een duivel, verloor een door God gegeven bediening van de Heilige Geest, en doodde zich en GING NAAR ZIJN EIGEN PLAATS. Zijn naam stond zelfs in het Boek des Levens. Maar zijn naam werd uitgewist.

Voordat wij nu deze gedachte over Judas vervolgen, zullen wij eens het Oude Testament nagaan en zien waar God hetzelfde deed. In Genesis 35:23–26 staat dat de zonen van Jakob twaalf waren in getal, en hun namen waren als volgt: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issaschar en Zebulon; Jozef en Benjamin, Dan en Nafthali, Gad en Aser. De nakomelingen van deze twaalf zonen vormden de twaalf stammen Israëls, met deze uitzondering dat Jozef geen stam had, die naar hem genoemd was, want in de voorzienigheid van God moesten er dertien stammen zijn, en de beide zonen van Jozef kregen de eer om de twaalf tot dertien te brengen. U weet natuurlijk, dat dit noodzakelijk was, doordat Levi afgezonderd werd om voor God de priesterdienst te vervullen. Toen Israël Egypte dan ook verliet en God hun de tabernakel gaf in de woestijn, bemerken wij, dat de stam Levi twaalf stammen bedient, en wel Ruben, Simeon, Issaschar, Juda, Zebulon, Benjamin, Dan, Nafthali, Gad, Aser, Efraïm en Manasse. Bij de vermelding van de legerschaar worden ze in Numeri 10:11–28 in deze volgorde genoemd. Jozef en Levi worden niet genoemd. Maar kijken wij naar Openbaring 7:4–8, waar staat "... het getal van hen, die verzegeld waren: honderd vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslachten van de kinderen Israëls", dan zien wij, dat zij aldus vermeld worden: Juda, Ruben, Gad, Aser, Nafthali, Manasse, Simeon, Levi, Issaschar, Zebulon, Jozef en Benjamin. Wij zijn weer teruggekeerd tot de twaalf stammen, met Levi en Jozef onder hen, doch zonder Dan en Efraïm.

De vraag rijst nu: waarom werden deze twee stammen uitgewist? Het antwoord kunt u vinden in Deuteronomium 29:16–20: "Want gij weet, hoe wij in Egypteland gewoond hebben, en hoe wij doorgetrokken zijn door het midden der volken, die gij doorgetrokken zijt. En gij hebt gezien hun verfoeiselen, en hun drekgoden, hout en steen, zilver en goud, die bij hen waren. Dat onder u niet zij een man, of vrouw, of huisgezin, of stam, die zijn hart heden afwendt van de HERE, onze God, om te gaan dienen de goden van deze volken; dat er onder u niet zij een wortel, die gal en alsem draagt; en het geschiede, als hij de woorden van deze vloek hoort, dat hij zichzelf zegene in zijn hart, zeggende: Ik zal vrede hebben, wanneer ik ook naar het goeddunken van mijn hart zal wandelen, om de dronkene te doen tot de dorstige. De HERE zal hem niet willen vergeven; maar alsdan zal de toorn des HEREN en Zijn naijver roken over die man, en al de vloek, die in dit boek geschreven is, zal op hem liggen; en de HERE zal zijn naam van onder de hemel uitdelgen." Hierin wordt de vloek uitgesproken tegen overspel of geestelijke ontucht. Van de stam die zich tot afgodendienst wendde zou de naam worden uitgewist. En de geschiedenis van de beide stammen, waarvan de namen uitgewist werden vanwege afgoderij, staat opgetekend in 1 Koningen 12:25–30: "Jerobeam nu bouwde Sichem op het gebergte van Efraïm, en woonde daarin, en trok van daar uit, en bouwde Penuël. En Jerobeam zeide in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weer tot het huis van David keren. Zo dit volk opgaan zal om offeranden te doen in het huis des HEREN te Jeruzalem, zo zal het hart van dit volk tot hun heer, tot Rehabeam, de koning van Juda, weerkeren; ja, zij zullen mij doden, en tot Rehabeam, de koning van Juda, weerkeren. Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zeide tot hen: Het is u te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie, uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben! En hij zette het ene te Beth-El, en het andere stelde hij te Dan. En deze zaak werd tot zonde; want het volk ging heen voor het ene, tot Dan toe." Hoséa 4:17: "Efraïm is vergezeld met de afgoden; laat hem varen."

Merk in het bijzonder nog dit op, dat de straf op afgoderij was dat de naam van de stam zou worden uitgewist "van onder de hemel". Deuteronomium 29:20. Er staat niet, dat deze zou worden uitgewist "in de hemel", maar "van onder de hemel". En zo is het ook precies, want Israël is thans terug in Palestina en spoedig zal de Here 144.000 uit hen verzegelen. Maar in dat getal ontbreken Efraïm en Dan.

Openbaring 7:4–8: "En ik hoorde het getal van hen, die verzegeld waren: honderd vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslachten van de kinderen Israëls. Uit het geslacht van Juda waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Ruben waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Gad waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Aser waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Nafthali waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Manasse waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Simeon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Levi waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Issaschar waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Zebulon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Jozef waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Benjamin waren twaalf duizend verzegeld." (Let erop, dat Dan en Efraïm ontbreken.) Laten wij nu eens kijken naar Daniël 12:1, dat naar deze honderd vier en veertig duizend verwijst als zijnde de verzegelden gedurende het zesde zegel en de tijd van de Grote Verdrukking of Jakobs benauwdheid. "En op die tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op die tijd toe; en in die tijd zal uw volk verlost worden, al wie GEVONDEN WORDT GESCHREVEN TE ZIJN IN HET BOEK."

Echter, na deze periode van verdrukking (gedurende het duizendjarig Rijk) vinden wij, zoals door Ezechiël in 48:1–8 en 22–29 voorspeld werd, nogmaals de stammen terug in Goddelijke volgorde. Maar vanaf de dag dat Efraïm en Dan zich aan de afgoden koppelden, stierven zij, en die stammen worden niet meer erkend.

Nu ben ik er mij van bewust dat sedert de verwoesting van Jeruzalem alle registers van alle stammen verloren zijn gegaan, zodat niemand met zekerheid kan zeggen tot welke stam hij behoort. MAAR GOD WEET HET. Die grote God, Die Israël terugbrengt naar Palestina, weet precies van welke stam iedere ware Israëliet is en temidden van alle bijeenvergaderde honderd vier en veertig duizend Joden zullen Dan en Efraïm ontbreken.

Hier zijn de stammen Israëls. Ezechiël 48:1–8: "Dit nu zijn de namen van de stammen. Van het einde noordwaarts, aan de zijde van de weg van Hethlon, waar men komt te Hamath, Hazar-Enon, het gebied van Damaskus, noordwaarts aan de zijde van Hamath (ook zal hij de ooster- en westerhoek hebben), zal Dan één snoer hebben. En aan het gebied van Dan, van de oosterhoek tot de westerhoek toe, Aser één. En aan het gebied van Aser, van de oosterhoek af tot de westerhoek toe, Nafthali één. En aan het gebied van Nafthali, van de oosterhoek tot de westerhoek toe, Manasse één. En aan het gebied van Manasse, van de oosterhoek tot de westerhoek toe, Efraïm één. En aan het gebied van Efraïm, van de oosterhoek tot de westerhoek toe, Ruben één. En aan het gebied van Ruben, van de oosterhoek tot de westerhoek toe, Juda één." Vers 22–29: "Van de bezitting nu der Levieten, en van de bezitting der stad af, zijnde in het midden van hetgeen van de vorst zal zijn; wat tussen het gebied van Juda, en tussen het gebied van Benjamin is, zal van de VORST zijn. Voorts wat het overige van de stammen betreft: van de oosterhoek tot de westerhoek toe, Benjamin één snoer. En aan het gebied van Benjamin, van de oosterhoek tot de westerhoek toe, Simeon één. En aan het gebied van Simeon, van de oosterhoek tot de westerhoek toe, Issaschar één. En aan het gebied van Issaschar, van de oosterhoek tot de westerhoek toe, Zebulon één. En aan het gebied van Zebulon, van de oosterhoek tot de westerhoek toe, Gad één. Aan het gebied nu van Gad, aan de zuiderhoek zuidwaarts,..." enzovoort.

We zouden als andere illustratie kunnen nemen de geschiedenis van de uittocht van Israël uit Egypte op weg naar het land Kanaän. Gods doel in dit tijdperk was om Israël UIT te leiden en hen IN te voeren, opdat zij Hem zouden dienen. Toen zij dan ook Egypte verlieten, kwamen zij ALLEN uit Egypte onder het bloed van het offerlam; ALLEN gingen zij door het doopwater van de Rode Zee; ALLEN verheugden zij zich in de machtige wonderen; ALLEN aten van het manna; ALLEN dronken uit de rots; en voorzover het om duidelijke uitwendige zegeningen en uitingen ging, hadden ALLEN er gelijkelijk deel aan. Maar toen zij te Moab kwamen stierven al diegenen, die deel namen aan het feest van Baäl-Peor. Hun lijken vielen in de woestijn, want daar verzetten zij zich tegen het Woord van God en keerden zich er van af. Hiervan nu spreekt Hebreeën 6:1–9, en dit was het, wat in het tijdperk van Pergamus zo duidelijk naar voren is gekomen. U komt er niet met slechts een gedeelte van het Woord; u moet het GEHELE Woord nemen. Er zijn mensen die voor bijna honderd procent bezig schijnen te zijn met de dingen Gods. Zij zijn als Judas. Niemand dan alleen Jezus wist precies wat voor iemand Judas was. De dag kwam dan ook, dat Judas precies zo handelde als Israël te Baäl-Peor. Hij besloot om zich bij de valse wijnstok te voegen – binnen te treden in de financiële, politieke organisatie van het Anti-Woord en de Anti-Christus religie, en hij deed het. Hij werd verleid! De overige elf echter niet, want zij waren de uitverkorenen. Welnu, toen Judas heenging en de Here verried, werd zijn naam uitgewist uit het Boek des Levens. (Openbaring 22:19).

Nu zult u ongetwijfeld hebben opgemerkt, dat zij, wier namen in het Boek des Levens stonden, deel uitmaakten van de religieuze orde van die tijd, die de ware God en Diens aanbidding tot middelpunt had, ofschoon zij niet overeenkomstig de Waarheid (het Woord) aanbaden. Net als Judas gingen zij niet verder. Zie eens hoe Judas door God uitgekozen werd. Hij werd in de waarheid onderricht. Hij was deelgenoot van de geheimenissen. Hij had een bediening met gezag gekregen en hij genas de zieken en wierp duivelen uit in de Naam van Jezus. Maar toen het er uiteindelijk op aan kwam, pleegde hij verraad voor goud en politieke macht. Hij kwam niet tot Pinksteren om de Geest te ontvangen. Hij bezat de Geest helemaal niet. Vergis u hierin niet: iemand, die waarlijk gedoopt is door de Heilige Geest in het lichaam van Christus en daardoor de volheid des Geestes ontvangt, ZAL ALTIJD VOLGENS HET WOORD blijven wandelen. Dat is het bewijs ervan of men gedoopt is in de Heilige Geest. Judas kwam ten val. En ontelbaren komen juist op dit punt ten val. En wanneer zij niet langer volgens dat Woord wandelen, worden hun namen uitgewist uit het Boek des Levens.

Teneinde het uitwissen van een naam uit het Boek des Levens verder te verduidelijken, moeten wij in gedachten ook tot Israël in de dagen van Mozes gaan. Exodus 32:30–34: "En het geschiedde de volgende dag, dat Mozes tot het volk zeide: Gij hebt een grote zonde gezondigd; doch nu, ik zal tot de HERE opklimmen; misschien zal ik een verzoening doen voor uw zonde. Zo keerde Mozes weer tot de HERE, en zeide: Och, dit volk heeft een grote zonde gezondigd, dat zij zich gouden goden gemaakt hebben. Nu dan, indien Gij hun zonden vergeven zult! doch zo niet, zo delg mij nu uit Uw Boek, dat Gij geschreven hebt. Toen zeide de HERE tot Mozes: Dien zou Ik uit Mijn boek delgen, die aan Mij zondigt. Doch ga nu heen, leid dit volk, waarheen Ik u gezegd heb; zie, Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan! doch ten dage van Mijn bezoeken, zo zal Ik hun zonde over hen bezoeken!" Het is overduidelijk, dat er namen uit het Boek des Levens gewist zijn en zullen worden, voordat de tijd voorbij zal zijn. In dit bijzondere geval was het vanwege de afgoderij, net zo als toen Dan en Efraïm hun rechten als stammen verloren, doordat zij de gouden kalveren aanbaden. Van allen, die de afgoden aanbaden, werden de namen uit het Boek des Levens verwijderd.

Toen Israël de leiding Gods in de vuurkolom afwees en de gouden kalveren ging vereren, werden hun namen uit het Boek des Levens verwijderd. (Exodus 32:33: Dien zal Ik uit Mijn boek delgen, die aan Mij zondigt). Als het met uitwissing van de namen uit het Boek des Levens moet worden gestraft, wanneer iemand zich aldus tot de afgoden wendt, dan zou Israëls verwerping van Jezus Christus als Messias door de Joden zeker een even zware straf eisen. Dit is volkomen juist. In Psalm 69, die spreekt over de vernedering van Jezus, staat in de verzen 22–29: "Ja, zij hebben mij gal tot spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven. Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding, tot een valstrik. Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lendenen gedurig waggelen. Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid van Uw toorn grijpe hen aan. Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner. Want zij vervolgen, die Gij geslagen hebt; en maken praat van de smart van Uw gewonden. Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid. Laat hen uitgedelgd worden uit het Boek des Levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden." Toen de Joden Jezus verwierpen, keerde God Zich letterlijk van hen af en wendde Hij Zich tot de heidenen. Handelingen 13:46–48: "Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord Gods gesproken zou worden; doch aangezien gij het verstoot, en uzelf het eeuwige leven niet waardig oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen. Want alzo heeft ons de Here geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde. Toen nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord des Heren; en er geloofden zovelen, als er verordineerd waren tot het eeuwige leven."

Hiermee wil ik niet zeggen, dat er in het Boek des Levens geen namen meer overgebleven zijn van de stammen Israëls, want velen van hen (niet ontelbaren), zullen door het beginsel van de uitverkiezing in het tijdperk van de gemeente uit de heidenen zijn en ingeplant worden in het lichaam van Christus, hetgeen aantoont, dat hun namen inderdaad in het Boek des Levens bleven. Wij zullen ook aantonen, dat de Heer volgens het vijfde zegel aan ontelbare gemartelde Joden witte gewaden en het eeuwige leven schenkt. Ook zullen de honderd vier en veertig duizend bij Zijn komst verzegeld worden, hetgeen een bewijs is voor het feit, dat ook hun namen niet waren uitgewist. Maar in Psalm 69 staat al even duidelijk, dat het de boze of onrechtvaardige verwerpers van Christus en de verdelgers van Zijn volk zijn, waarvan de namen worden uitgedelgd.

Evenals Israël (het door God gekozen volk) voor het overgrote deel zijn rechten verbeurde in het Boek des Levens, doordat het Jezus verwierp, zo zal ook de meerderheid van de gemeente uit de heidenen onder het oordeel komen, met als gevolg, dat hun namen uit het Boek des Levens worden verwijderd, doordat zij het Woord verwerpen en zodoende deelnemen aan de oecumenische wereldbeweging, die het beeld is dat voor het beest wordt opgericht.

Er is hier nog iets wat we moeten belichten. In het oordeel voor de grote Witte Troon zal er een scheiding van mensen zijn. Het Boek des Levens zal worden geopend en nog een boek zal worden geopend. Matthéüs 25:31–46: "En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid. En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt. En Hij zal de schapen tot Zijn rechterhand zetten, maar de bokken tot Zijn linkerhand. Alsdan zal de Koning zeggen tot hen, die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beërft dat Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld. Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij geherbergd. Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest, en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en gij zijt tot Mij gekomen. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Here! wanneer hebben wij U hongerig gezien, en gespijzigd, of dorstig, en te drinken gegeven? En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien, en geherbergd, of naakt en gekleed? En wanneer hebben wij U krank gezien, of in de gevangenis, en zijn tot U gekomen? En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan. Dan zal Hij zeggen ook tot hen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is. Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij niet te drinken gegeven. Ik was een vreemdeling; en gij hebt Mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; krank, en in de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht. Dan zullen ook dezen Hem antwoorden, zeggende: Here, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of krank, of in de gevangenis, en hebben U niet gediend? Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit een van deze minsten niet gedaan hebt, zo hebt gij het Mij ook niet gedaan. En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven."

Openbaring 20:11–15: "En ik zag een grote witte troon, en Hem, Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten, en geen plaats is voor die gevonden. En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend, en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken. En de zee gaf de doden, die in haar waren; en de dood en de hel gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een ieder naar hun werken. En de dood en de hel werden geworpen in de poel des vuurs; dit is de tweede dood. En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het Boek des Levens, die werd geworpen in de poel des vuurs." Zowel de rechtvaardigen als de onrechtvaardigen zullen er zijn in het oordeel. Zo staat het er. DEZE RECHTVAARDIGEN ZULLEN NIET DE BRUID ZIJN, WANT DE BRUID ZIT MET HEM IN HET OORDEEL. I Korinthe 6:2–3: "Weet gij niet, dat de heiligen de wereld oordelen zullen? En indien door u de wereld geoordeeld wordt, zijt gij dan de geringste rechtszaken onwaardig? Weet gij niet, dat wij de engelen oordelen zullen? Hoeveel te meer de zaken, die dit leven aangaan?" Openbaring 3:21: "Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, zoals Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon." Begrijpt u het? De bruid zit bij Hem in de troon. Als zij de wereld moet oordelen, moet zij bij Hem zitten in het oordeel. Dat is ook precies wat Daniël zag. Daniël 7:9–10: "Dit zag ik, totdat er tronen gezet werden, en de Oude van dagen Zich zette, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar van Zijn hoofd als zuivere wol; Zijn troon was vuurvonken, en de raderen daarvan een brandend vuur. Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend." Ziet u, het is hetzelfde tafereel, want de duizendmaal duizenden die Hem dienden zijn de bruid. Wie anders dient de echtgenoot immers dan zijn vrouw?

Nu rijst de vraag: waarom zijn deze rechtvaardigen in het oordeel? Er is geen andere plaats waar zij kunnen verschijnen, want er zijn slechts twee opstandingen; en daar zij niet in aanmerking kwamen voor de eerste opstanding, moeten zij verschijnen in de tweede, die een opstanding is ten oordeel. Diegenen, die in aanmerking komen voor de eerste opstanding (de bruid), zijn niet in het oordeel. Johannes 5:24: "Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn Woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven (dat wil zeggen, de gelovige is reeds de ontvanger van het eeuwige leven, dat hij nu in zijn bezit heeft), en komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan (permanent) in het leven." Maar merk op, Jezus moet toch nog een andere groep mensen in gedachten hebben die bij een bepaalde opstanding het eeuwige leven zullen ontvangen. Zij zullen het ontvangen in de opstanding, DAAR ZIJ HET NIET – ZOALS BIJ DE BRUID HET GEVAL IS – REEDS TEVOREN ONTVANGEN HEBBEN. Johannes 5:28–29: "Verwondert u daar niet over; want de ure komt, waarin ALLEN, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen; en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis." Nu weten wij allemaal, dat Johannes 5:28–29 NIET SLAAT OP DE OPNAME, want slechts de in Christus ontslapenen zullen op dat ogenblik uit de graven opstaan, samen met de levende bruid die nog hier op aarde is. I Thessalonicensen 4:16–17: "Want de Here Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods neerdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Here tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met de Here wezen." Maar in Johannes 5:28–29 staat dat ALLEN uit de graven zullen opstaan. Dit is dezelfde opstanding als die, waarvan Openbaring 20:11–15 spreekt: DE DODEN werden voor de Here gebracht en geoordeeld naar hun werken, en allen, wier namen niet bevonden werden geschreven te zijn in het Boek des Levens, werden in de poel des vuurs geworpen.

Nu staan we voor de vraag, waarom hun het eeuwige leven gegeven wordt in het oordeel, daar de brieven eenstemmig naar voren schijnen te brengen, dat men de Geest van Christus moet bezitten, of verloren gaan. Ofschoon dit zo schijnt te zijn, moeten wij de woorden van Jezus niet in diskrediet brengen, Die met nadruk verklaart, dat er sommigen in het Boek des Levens zijn, die of voor of na de algemene opstanding het eeuwige leven zullen ontvangen. Paulus ontwijkt deze waarheid niet, want hij zegt heel duidelijk in Filippensen 3:11: "Of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden." Deze uitlating nu is hoogst eigenaardig. Wij weten allemaal, dat wij ALLEN in de opstanding zullen zijn, of we het willen of niet. Allen zullen worden opgewekt. Paulus kon dus moeilijk gezegd hebben: "Of ik ENIGSZINS ZOU MOGEN komen tot de opstanding der doden." De waarheid over dit alles is, dat hij dit niet zegt. De letterlijke lezing luidt: "Of ik zou mogen komen tot de 'uit-opstanding' van tussen de doden." Dit is niet een komen tot de algemene of tweede opstanding, maar een komen tot de eerste opstanding, waarvan gezegd wordt: "Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen heersen duizend jaren." De eerste opstanding heeft niets te maken met de tweede dood. Die komt aan het eind der duizend jaren, wanneer ALLE OVERIGE DODEN weer zullen leven. En in die dag zullen er zijn, die verschijnen ten eeuwigen leven en die anderen, die gevangen worden in de tweede dood. Nu behoeven wij niet te gissen naar diegenen, aan wie het leven wordt gegeven in de tweede opstanding. Ons wordt gezegd, dat hun het eeuwige leven wordt gegeven op grond van het feit dat zij vriendelijk en goed voor de "broederen" zijn geweest. Diegenen, die opstaan en in de poel des vuurs geworpen worden, zullen zo behandeld worden omdat zij de "broederen" slecht behandeld hebben. Daar dit het Woord van God is, aanvaarden wij het zonder meer. Ik ga hier niet over debatteren, maar vermeld eenvoudig een feit.

Merk, ter verdere verduidelijking, de woorden op van Matthéüs 25:31–46. Er staat niet, dat de herder letterlijk schapen van de bokken scheidt, maar dat het is ZOALS een herder, die de schapen van de bokken scheidt. Dit zijn geen schapen in deze bepaalde periode (Oordeel voor de Witte Troon). De schapen zijn in Zijn schaapskooi, zij hebben Zijn stem (het Woord) gehoord en volgen Hem. ZIJ HEBBEN REEDS HET EEUWIGE LEVEN, KUNNEN NIET IN HET OORDEEL KOMEN. Maar dezen hier hebben het eeuwige leven NIET, en zij zijn in het oordeel. Zij krijgen toestemming om het eeuwige leven IN TE GAAN. Maar op welke grond gaan zij in in het eeuwige leven? Zeker niet op grond van het feit dat zij Zijn leven reeds hebben, zoals de bruid; zij ontvangen het omdat zij vriendelijk zijn geweest tegen Zijn broederen. Zij zijn niet Zijn broederen: dat zou hen mede-erfgenamen met Jezus maken. Zij zijn GEEN erfgenamen dan alleen van het leven. Zij delen niet in de troon enzovoort, met Hem. HUN NAMEN MOETEN IN HET BOEK DES LEVENS ZIJN GEWEEST EN NIET UITGEWIST ZIJN. Vanwege de liefde, die zij betoond hadden voor het volk van God, worden zij erkend en gered. Ongetwijfeld dienden zij de kinderen Gods en hielpen hen. Misschien, zoals Nicodémus en Gamaliël, kwamen zij op voor de kinderen in een tijd van moeite.

Als dit doet denken aan "herstel", let dan nu goed op, want de bozen worden NIET hersteld, maar geworpen in de poel des vuurs. Van velen van deze mensen, die verdelgd worden stonden de namen in het Boek des Levens, maar zij werden uitgewist, omdat zij het volk van God, dat het levende en geopenbaarde Woord (levende brieven) voor hun dagen was, niet hebben geëerd.

Laten wij dit heel duidelijk stellen. Dit zijn niet de naties, die geoordeeld worden en het duizendjarig rijk binnen gaan, omdat zij de Joden geherbergd en geholpen hebben. Dat blijkt duidelijk uit het slot van deze verzen. "En dezen (de goddelozen) zullen gaan in de eeuwige pijn (de poel des vuurs); maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven." Nergens is er sprake van TWEE oordelen waarbij de goddelozen in de poel des vuurs geworpen worden. Alleen het beest en de valse profeet worden geoordeeld aan het einde van de grote verdrukking. Neen, dit is het Oordeel voor de Grote Witte Troon, en zij zullen worden geoordeeld naar hetgeen in de boeken geschreven staat.

Het is in de tweede opstanding, dat aan de "zielen onder het altaar", zoals beschreven wordt bij het vijfde zegel (Openbaring 6:9–11), witte klederen worden gegeven, en vanzelfsprekend het eeuwige leven; anders zou er geen sprake zijn van witte gewaden. "En toen Het het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen dergenen, die gedood waren om het Woord Gods, en om het getuigenis, dat zij hadden. En zij riepen met grote stem, zeggende: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen? En aan een iegelijk werden lange witte klederen gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een kleine tijd rusten zouden, totdat ook hun mededienstknechten en hun broeders vervuld zouden zijn, die gedood zouden worden, gelijk als zij." Merk nu in het bijzonder op, dat geen van deze hier onder het altaar gedood werden om het getuigenis van Jezus. Zij waren niet zoals Antipas, die gedood werd omdat hij die Naam vasthield. Hier is niet sprake van de wedergeborenen, met het eeuwige leven als hun bezit. Zij komen in de opstanding en ontvangen leven, omdat zij staan op het Woord. En merk op hoe dezen roepen om wraak. Zij kunnen niet tot de bruid behoren. De bruid keert de wang toe en roept: "Vergeef het hun, Vader, want zij weten niet wat zij doen." Dit zijn Joden. Dit moeten wel Joden zijn, want zij zijn in het vijfde zegel, en in het vierde zegel is de heidenbruid opgenomen. Deze Joden zijn dus niet wedergeboren door Zijn Geest, Zij geloven zelfs niet, dat Jezus de Messias is. Maar daar zij door God met blindheid geslagen waren terwille van de heidenen, gaf God hun het eeuwige leven op grond van het feit dat – ofschoon zij niet tot Hem konden komen – zij toch getrouw waren aan het gehele Woord dat zij kenden en in massa's ervoor stierven onder Hitler, Stalin enzovoort, en nog zullen sterven.

De vijf dwaze maagden zullen ook komen in de tweede opstanding. Let erop, het waren maagden. Zij hadden niet de Heilige Geest, zodat zij niet in de bruid waren, terwijl de vijf wijze maagden, die olie hadden, een deel van die bruid werden. Maar deze mensen, die een afgescheiden volk waren en God liefhadden en probeerden bij dat Woord te blijven, overeenkomstig de kennis die zij ervan hadden en die behulpzaam zijn in het werk des Heren, zullen verschijnen aan het einde der tijden. Zij zullen het duizendjarig rijk mislopen, dat, zoals u nu door deze waarheid kunt gaan zien veel belangrijker en wonderbaarder is dan wij ooit hebben kunnen denken of geloven.

Al deze mensen hadden hun namen in het Boek des Levens en hun namen bleven daarin. Maar van wie bleven de namen er niet in? De mensen uit de kerken van het wereldstelsel, die de bruid bestreden, van dezen zullen de namen worden verwijderd. Dat zijn degenen, die het zullen afleggen. Zij zullen in de poel des vuurs geworpen worden.

Laten wij nu een stap verder gaan, maar laten we vooraf eens zien hoever we nu gekomen zijn. Om te beginnen weten wij, dat het voornemen van God vaststaat in de verkiezing. Hij had het Zich voorgenomen in Zichzelf. Het was Gods voornemen om een volk tot aanzijn te roepen, dat Hem gelijk was en dat een Woord-bruid zou zijn. Zij was uitverkoren IN HEM van voor de grondlegging der wereld. Zij was van tevoren gekend en geliefd voordat Zij ooit was voortgebracht gedurende de eeuwen op aarde. Zij was verlost door Zijn bloed en kan NIMMER in het oordeel komen. Zij kan nooit in het gericht zijn, daar haar geen zonde ten laste kan worden gelegd. Romeinen 4:8: "Zalig is de man, die de Here de zonden niet toerekent." Maar in werkelijkheid zal zij met Hem in Zijn oordeelstroon zijn, de wereld en zelfs de engelen oordelende. Haar naam (de naam van haar leden) was geschreven in een deel van het Boek des Levens des Lams. Ten tweede is er nog een groep mensen. Hun namen staan ook in het Boek des Levens en zij zullen verschijnen (opstaan) in de tweede opstanding. Dat zijn de dwaze maagden en de rechtvaardigen waarvan Matthéüs 25 spreekt. In deze groep bevinden zich ook diegenen, die niet het beest aanbidden of zich laten betrekken in het antichristelijke stelsel, maar die sterven voor hun geloof, zelfs al zijn zij niet in de bruid en zijn ze niet wedergeboren. Maar zij zullen opstaan in de tweede opstanding en het eeuwige leven binnengaan. Ten derde zijn daar de Christenen, de grensgevallen, zoals wij zagen in het volk Israël toen het uit Egypte trok. Zij hadden hun namen in het Boek des Levens en hun werken waren in de boeken geschreven. Van hen, die nagelaten hebben God te gehoorzamen en die de Geest niet bezaten, ofschoon de tekenen en wonderen onder hen waren, zullen de namen uit het Boek des Levens gewist worden. Tot deze groep zullen diegenen behoren, die als Judas zijn, mensen die, hoewel geheel zonder de Geest, godsdienstig zijn en uitingen des Geestes hebben in hun leven. En hoewel ze in de boeken staan waren ze niet IN HEM uitverkoren. Mannen als Bileam zullen tot die groep behoren. Ten vierde en ten laatste zijn er diegenen wier namen nimmer in de boeken geschreven zijn geweest. Men vindt deze groep in Openbaring 13:8 en Openbaring 17:8: "En allen, die op de aarde wonen, zullen het aanbidden, wier namen niet zijn geschreven in het Boek des Levens, des Lams, Dat geslacht is, van de grondlegging der wereld." "Het beest, dat gij gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit de afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen, zullen verwonderd zijn (wier namen niet zijn geschreven in het Boek des Levens van de grondlegging der wereld), ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is." Jezus zei, dat er een groep zou komen, die iemand zou aannemen, die kwam in zijn eigen naam. Die ene is de antichrist. En dat is precies, wat in Openbaring 13:8 en 17:8 over hen wordt gezegd. Deze waren verordineerd door God, doch niet tot uitverkiezing. En bij deze groepen zijn degenen als de Farao. Van hem wordt gezegd: "Hiertoe heb Ik u verwekt,... vaten (voorwerpen) des toorns, tot het verderf toebereid." Romeinen 9:17 en 22. Niet één van hen zou in de registers des levens vermeld worden. Ik zeg niet, dat zij nergens genoteerd staan. Ongetwijfeld staan zij ergens genoteerd, maar NIET IN DE REGISTERS DES LEVENS. Het doel van hun bestaan is elders in dit boek enigszins behandeld, maar wij kunnen nog twee Schriftteksten toevoegen. Spreuken 16:4: "De HERE heeft alles gewrocht om Zijns Zelfs wil; ja, ook de goddeloze tot de dag des kwaads." Job 21:30: "Dat de boze bewaard wordt ten dage van het verderf; dat zij ten dage van de verbolgenheden ontvoerd worden."

Aangezien dit deel van het Woord voor het menselijk verstand moeilijk te vatten is, moet het in geloof aanvaard worden. Sommigen zullen door wat ik naar voren heb gebracht, gekwetst zijn, omdat zij niet zien en begrijpen dat God soeverein is, waar weer uit volgt dat GOD GOD IS, en omdat Hij God is kan men Zijn raadsbesluiten niet te niet doen, of Zijn wil en voornemen verijdelen; maar daar Hij almachtig is, regeert Hij in ALLE DINGEN en doet Hij met Zijn schepping wat Hij wil, omdat om Zijn welbehagen alles werd geschapen. Daarom zegt Paulus: "Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit dezelfde klomp te maken, het éne een vat ter ere, en het andere ter onere? Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt?" Dat Hij het recht heeft om dit te doen op grond van de schepping alleen al, kunnen wij niet ontkennen. Toch ging Hij nog verder, want overeenkomstig Romeinen 14:7–9 hebben wij het onweerlegbare bewijs, dat Jezus de kostprijs voor de gehele wereld betaalde en om die reden kan Hij met het Zijne doen naar Zijn wil. "Want niemand van ons leeft zichzelf, en niemand sterft zichzelf. Want hetzij dat wij leven, wij leven de Here; hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heren. Want daartoe is Christus ook gestorven, en opgestaan, en weer levend geworden, opdat Hij BEIDEN OVER DODEN EN LEVENDEN heersen zou." (Hier wordt bezit, NIET verwantschap, bedoeld). Dit wordt ook in Johannes 17:2 naar voren gebracht: "Gelijk Gij Hem macht gegeven hebt OVER ALLE VLEES, opdat al wat Gij Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve."

Welnu, indien wij aan God alwetendheid toeschrijven, dan moeten wij ook aanvaarden dat Hij volmaakt is in wijsheid en rechtvaardigheid. Dit plan van verkiezing en verwerping is de wijsheid Gods, geopenbaard door alle eeuwen heen, zoals Efeze 1:3–11 zegt: "Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus. Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Hem in de liefde; Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelf, naar het welbehagen van Zijn wil; tot prijs der heerlijkheid van Zijn genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde; in Wie wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar de rijkdom van Zijn genade, met welke Hij overvloedig is geweest over ons in alle wijsheid en voorzichtigheid; ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in Zichzelf; om in de bedeling van de volheid der tijden, wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide wat in de hemel is, en wat op de aarde is; in Hem, in Wie wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen van Hem, Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil." Indien God het dan zo bepaald heeft, dat er mensen zijn, waarvan de namen in een deel van het Boek des Levens geschreven zijn en niet uitgewist kunnen worden, omdat het de namen zijn van Zijn bruid, dan moeten wij dat aanvaarden. Als er ook staat, dat er zijn, wier namen in het Boek waren vermeld, maar die in de voorkennis van God moesten vallen en wier namen uitgewist zouden worden, dan moeten wij dat aanvaarden. En als er zijn, wier namen NIMMER in het Boek des Levens geschreven waren, dan zullen wij ook dat moeten aanvaarden. En als er zullen zijn, die het eeuwige leven zullen binnengaan na het Oordeel voor de Witte Troon, enkel en alleen omdat zij goed en vriendelijk en rechtvaardig waren voor de uitverkorenen Gods, Zijn broederen, dan kunnen wij dit slechts accepteren. WANT WIE KENT DE GEDACHTEN DES HEREN, DAT HIJ HEM ZOU ONDERWIJZEN? Laten wij liever in het geloof onderworpen zijn aan Hem, Die onze Vader is, en leven.

Om dit onderwerp nog beter te kunnen begrijpen is het verstandig om het nu vanuit het standpunt van de gemeente door de eeuwen heen te benaderen. Tot nu toe hebben wij gedacht in termen van de verwijdering van de namen van individuen. Nu willen wij echter niet de individuen, maar de groepen, die in de gemeente vertegenwoordigd zijn, in ogenschouw nemen. Hiertoe zullen wij de gemeente door de tijdperken heen vergelijken met de tarweplant. Een tarwekorrel wordt gezaaid met het doel, dat een enkel zaadje zich volgens een zeker proces en gedurende een bepaalde tijdsperiode zal vermenigvuldigen. Dat ene zaadje zal sterven, maar het leven dat daarin was, zal in een plant opkomen en op haar beurt zal deze plant drager van dat leven zijn en weer tot het oorspronkelijke, alleen in een verveelvoudigde vorm, terugkomen. Jezus, het grote Koninklijke Zaad, stierf. Deze Onvergelijkelijke, Die het leven van de gemeente is, staat in het midden van de gemeente gedurende alle zeven tijdperken en geeft Zijn leven aan de gemeente (de drager) opdat Zijn leven in lichamen als het Zijne gereproduceerd zal worden in de opstanding. In de opstanding zal dat Koninklijke Zaad vele koninklijke zaden zien, die Hem gelijkvormig zijn en zij zullen Hem gelijk zijn, want Johannes zegt: "Wij zullen Hem gelijkvormig zijn." Johannes de Doper heeft hiernaar verwezen, toen hij zei, dat Jezus het koren in de schuren zou verzamelen. Dat is de opstanding, waar de verlosten, zij die uitverkoren waren ten eeuwigen leven, zouden ingaan.

Welnu, het register van deze tarweplant, dat tot doel heeft om het oorspronkelijke zaad voort te brengen in een veelvuldige vorm, is HET BOEK DES LEVENS. Ik herhaal: de geschiedenis of het register van de tarweplant is het Boek des Levens, waarvan het REGISTER VAN HET EEUWIGE LEVEN een deel is. Dit kunt u op overtuigende wijze zien door de tarweplant te bestuderen. Een zaadje wordt zonder meer gezaaid. Spoedig ziet u een sprietje te voorschijn komen. Maar dat is nog niet de tarwe. Dan groeit het uit tot een stengel. Dat is nog geen tarwe. Er is leven in, doch geen tarwe. Dan ziet u aan het einde van de stengel een kleine aar verschijnen, die een pluimpje voortbrengt. Nog steeds een tarweplant, maar nog geen tarwe. Daarna wordt de plant bestoven, en wij zien het kaf te voorschijn komen. Dat lijkt verbazend veel op de tarwe, maar het is nog geen zaad. Dan vormt zich het zaad in het omhulsel. Nu is het weer wat het oorspronkelijk was. De gerijpte tarwe wordt geoogst.

Jezus Christus stierf. Hij gaf Zijn leven. Dat leven moest terug komen op de gemeente en vele zonen, Hem gelijkvormig, tot heerlijkheid brengen, in de opstanding. Maar evenals de tarwekorrel een drager moest hebben om een veelvoud van tarwekorrels voort te brengen, zo moest er ook een gemeente zijn, die een draagster zou zijn van het leven van Christus. Evenals de spriet, de stengel, de pluim en het omhulsel de dragers van het zaad, doch NIET het zaad zelf waren, zo is het lichaam der gemeente door de eeuwen heen de drager van het ware ZAAD, doch niet het zaad zelf geweest. Wij kunnen dan ook zeggen dat het Boek des Levens DEZE GEHELE TARWEPLANT is.

Laten we het nog eens herhalen. Daar is dat oorspronkelijke zaad, dat geplant werd. Het bracht een spriet voort. Dat was het niet. Het bracht een stengel voort. Ook dat was het niet. Dan komt het omhulsel, waarin de tarwe zich moet gaan vormen. Dat is het ook niet. De pluim verschijnt. DAN VALT ER STUIFMEEL OP DE STAMPERS. EEN DEEL VAN DIE PLANT WORDT TOT LEVEN GEBRACHT. IETS VAN DAT OORSPRONKELIJKE ZAAD, DAT DOOR DE REST VAN DE PLANT OPKWAM, WORDT WEER ZAAD. Waarom werd niet de gehele plant zaad? Omdat zij voor dat doel geschapen werd. Slechts een deel van die plant kan zaad worden; omdat slechts een deel van die PLANT EEUWIG-LEVEN TARWE IS.

Een volmaakt beeld hiervan kunt u zien in Israël toen het Egypte verliet. Met ongeveer twee miljoen mensen trokken zij uit. ALLEN kwamen door het offerbloed; ALLEN werden gedoopt in de Rode Zee; ALLEN kwamen uit het water en verheugden zich in de openbaring en de zegeningen des Heiligen Geestes; ALLEN aten voedsel der engelen; ALLEN dronken uit de rots die hen volgde. Toch waren zij op een paar na niets dan dragers voor de kinderen die na hen komen zouden en die het land Kanaäns zouden binnentrekken. NIET allen, die van Israël afstammen, zijn Israël. En van allen, op een miniem klein aantal na, werden de namen uit het Boek des Levens gewist.

Datzelfde treffen wij juist ook tegenwoordig aan in de gemeente. Er zullen namen uit het Boek des Levens worden gewist. Uit het Boek des Eeuwigen Levens zullen echter géén namen worden gewist, want dat is een ander register, ofschoon het vervat is in het Boek des Levens. EN DIT IS DE GETUIGENIS, NAMELIJK DAT GOD ONS HET EEUWIGE LEVEN GEGEVEN HEEFT; EN DIT LEVEN IS IN ZIJN ZOON. WIE DE ZOON HEEFT, DIE HEEFT HET LEVEN; WIE DE ZOON VAN GOD NIET HEEFT, DIE HEEFT HET (EEUWIGE) LEVEN NIET. En zij die dat leven bezitten waren in HEM voor de grondlegging der wereld. ZIJ WAREN IN HEM UITVERKOREN VAN VOOR DE GRONDLEGGING DER WERELD. Dat GROTE KONINKLIJKE ZAAD, Jezus Christus, werd geplant (Hij stierf) en dat leven dat in Hem was, kwam door de tarweplant op en vermenigvuldigt zich in menigten van tarwekorrels die hetzelfde leven in zich hebben, en zij zijn aan de Oorspronkelijke gelijkvormig, daar zij door de Geest oorspronkelijk zijn.

Nu kunnen wij begrijpen waarom van de verloste (de door de oorspronkelijke eigenaar teruggekochte) bruid (zij was in Hem, evenals Eva in Adam) nimmer de namen van de leden uit het Boek des Levens kunnen worden gewist. Zij is een deel van Hem. Zij is op de troon. Zij komt nimmer in het oordeel. Een ieder, die tot de bruid behoort, is een lid van Hem en Hij zal er geen verloren laten gaan. Maar dit is niet van toepassing op "de allen" in het Boek des Levens. Want onder hen vindt u ook mensen als Judas en dergelijke, die een deel hebben in het register, maar van wie de namen worden uitgewist. Wij kunnen hen zien die in de laatste dagen komen en van wie Jezus, nadat zij wonderwerken hebben verricht, zegt dat Hij hen nooit gekend heeft. Het betekent niet, dat Hij Zich niet bewust was van hun bestaan. Zijn alwetendheid sluit dat uit; maar zij waren niet van te voren gekend als in de bruid; noch werden zij tevoren gekend als onder de rechtvaardigen van de tweede opstanding. Zij brachten geen vrucht voort (omdat zij niet in het Woord waren – er niet in bleven) en om die reden werden zij ter dood veroordeeld. Dan zijn er, zoals wij hiervoor reeds hebben aangetoond, die een hulp en troost waren voor de bruid en haar bijstonden. Van hen bleven de namen in het Boek des Levens en zij gaan het Eeuwige Leven in. Tenslotte zijn er mannen als Farao, waarvan de namen nimmer in het Boek des Levens voorkwamen; ook dezen worden in de poel des vuurs geworpen.

Het tarwegraan, dat tot plant werd om geoogst te worden, is dus het register der gemeente. En evenals niet de gehele tarweplant tarwezaad is, en niet de gehele plant in de oogst wordt gebruikt, zo is het ook met de gemeente gesteld: niet de gehele gemeente is de bruid, en ook wordt niet de gehele gemeente het eeuwige leven deelachtig, maar een DEEL wordt in de schuur bijeengebracht en een DEEL wordt bewaard opdat het het eeuwige leven kan ingaan, in de tweede opstanding, en een DEEL, dat als kaf beschouwd wordt, wordt verbrand in de poel des vuurs. En dit is nu precies wat Johannes de Doper en Jezus zeiden, want Johannes zei dat het koren verzameld en het kaf verbrand zou worden. Jezus zeide: "Bindt het onkruid en verzamelt dan het koren." De oecumenische beweging zal de onkruid-kerken tezamen binden, want EERST moet het onkruid samengebonden worden, en ofschoon hun einde verbranding is, worden zij niet bij het binden verbrand, doch worden bewaard tot een latere datum, en wel tot het einde van het duizendjarig rijk of de tweede opstanding. Maar wordt het onkruid eenmaal gebonden, dan kan de opname plaatsvinden, en dan zal zij ook plaatsvinden, ergens tussen het binden van het onkruid en de openbaring van de antichrist. Dan zal de dag komen wanneer ALLEN tezamen zullen staan, zoals wij in Daniël zien. De Koning zal daar met Zijn bruid zijn en voor hen zullen de massa's staan die geoordeeld moeten worden. Ja, ALLEN zijn daar. Alle boeken worden geopend. Een laatste beschikking over ALLEN wordt getroffen. De oogst is werkelijk voorbij. De boeken, die eenmaal geopend werden, worden gesloten.

Laat ik tot besluit van dit onderwerp verwijzen naar iets, wat ik in het begin gezegd heb, en wel dat er geen enkel Schriftgedeelte was, dat sprak dat de Here THANS bezig is met het samenstellen van een register van namen. Dit is inderdaad het geval. Er is echter een Schrifttekst, die op een toekomstige samenstelling van zulk een register wijst. Die staat in de zevenentachtigste Psalm. Deze Psalm zegt, dat de Here de namen opschrijft van al degenen die in Sion geboren zijn. Er is geen enkele reden om te veronderstellen, dat God zou moeten wachten tot het einde der eeuwen of tot die periode, die op Sion betrekking heeft om al degenen die in Sion geboren zouden worden te kennen. Nogmaals, dat zou Zijn alwetendheid uitsluiten. Natuurlijk kent Hij al degenen die dat getal omvatten. Maar wat is het dan? Is het niet eenvoudig de herziene rol, waarin God een nieuwe lijst aanlegt van al die namen die na de tweede opstanding overgebleven zijn en tot Sion behoorden? Inderdaad, zo is het.

"En Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen." Appèl in de hemel! "Als een man gestorven is, zal hij weer leven? Ik zou al de dagen van mijn strijd hopen, totdat mijn verandering komen zou. Dat Gij zoudt roepen, en Ik U zou antwoorden, dat Gij tot het werk Uwer handen zoudt begerig zijn." Job 14:14–15. De Grote Herder roept Zijn schapen bij name. De scheppende stem Gods roept hen te voorschijn vanuit het stof of verandert hun atomen indien zij nog niet ontslapen zijn. Het is de opname. Het is het grote Bruiloftsmaal van het Lam en Zijn bruid.

Maar de opname is niet het enige appèl. Daar bij de tweede opstanding in het grote oordeel voor de Witte Troon, zullen namen worden beleden voor de Vader en voor Zijn engelen. Nu is mij verteld door mensen die het weten kunnen, dat het schoonste geluid voor een menselijk oor het geluid is van de naam van die persoon. Wat houden de mensen ervan dat hun namen in het publiek genoemd worden. Wat willen zij graag toegejuichd worden. Maar geen aardse stem zal uw naam zo schoon laten klinken als de stem Gods, indien uw naam in het Boek des Levens staat en daar blijft om geopenbaard te worden voor de heilige engelen. Wat zal dat een dag zijn, wanneer wij Jezus zullen horen zeggen: "Vader, zij hebben Mijn Naam voor de mensen beleden in de dagen van hun aardse pelgrimsreis. Nu wil Ik hun namen belijden voor U en voor al de engelen des hemels."

"Die een oor heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt." Opnieuw heeft de Geest gesproken. Opnieuw hebben we het getuigenis nagegaan van wat de Geest tot een tijdperk zei. Wij bevonden dat het getuigenis juist was. Weer is een tijdperk voorbijgegaan en het is precies zo vervuld als Hij zei dat het zijn zou. Wat een vertroosting voor ons, die hopen tot de bruid van de laatste tijd te behoren, want het doet onze harten opspringen dat Hij getrouw is en iedere belofte zal waarmaken. Indien Hij getrouw is voor hen, die behoren tot het tijdperk van Sardis, dan is Hij even getrouw voor ons tijdperk. Indien zij door Zijn kracht en genade aangenomen en (bij de Vader) aanbevolen worden, dan zullen wij dat ook worden. Laten wij derhalve voorwaarts gaan tot de volkomenheid om de Here tegemoet te gaan in de lucht en voor eeuwig met Hem te zijn.

Deze site maakt gebruik van functionele cookies.

Download
E-Book
E-BookE-Book
ePub Download ePubePub is de meest gangbare formaat voor E-Book readers. Het heeft geen absolute paginaindeling. meer info...
English (Engels)